PodcastsChristendomGeruis Uit De Kluis

Geruis Uit De Kluis

Pater Hugo
Geruis Uit De Kluis
Nieuwste aflevering

56 afleveringen

  • Geruis Uit De Kluis

    Drie momenten van Communie

    06-06-2026 | 17 Min.
    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
  • Geruis Uit De Kluis

    Griezelen van Gods nabijheid?

    06-06-2026 | 17 Min.
    Het tederste gebaar tussen mensen die van elkaar houden is misschien wel het elkaar voeren. De één houdt de ander iets voor de mond - een stukje fruit, een lepeltje ijs - en die ander opent zich. Dit is géén functionele transactie, maar een moment van uiterste kwetsbaarheid en overgave. Van volledig vertrouwen. Van helemaal opengaan voor elkaar. Je ziet dit dan ook - tenminste in een ideale, menselijke situatie - alleen gebeuren tussen mensen die werkelijk iets van elkaar zijn. Die van elkaar houden.
    Geen wonder dat dat ook meer dan duizend jaar lang de manier was waarop wij de Communie ontvingen. Wij knielden neer en staken onze handen onder een laken - wij maakten ons, met andere woorden, helemaal kwetsbaar, en openden onze mond. En God maakte zich nog kwetsbaarder dan wij al waren en legde zich - Brood geworden - daarin. Dat had Hij al honderden jaren voor Christus’ geboorte beloofd: ‘Doe je mond wijd open en Ik zal hem vullen,’ zingt Hij in de Psalm.
    Dat is logisch, want onze band met God is niet zakelijk, maar intiem, persoonlijk, vertrouwd en helemaal open. Hij is namelijk iets van ons, eigen. Hij is ons zelfs, zoals Augustinus het uitdrukte, ‘intiemer nabij dan wij onszelf nabij zijn.’
    De Communie is geen afstandelijke liefdadigheid die God bewijst aan vreemden. Het is een hartstochtelijk liefhebben en bemind worden, wederzijds, met alle aspecten van beminnen die je tussen mensen ook ziet gebeuren.
    De Communie is dus ook gevaarlijk, zoals alle intieme relaties gevaarlijk zijn. Je geeft je in vertrouwen over op een manier die je strikt bewaart voor je familie en je geliefde.
    (Intro)
    Wie tegenwoordig in een katholieke kerk mensen de communie ziet ontvangen zou denken dat het ging om het uitdelen van medicijnen of zo, bij een uitbraak van iets. Men staat in de rij en steekt de handen uit. Een priester - of een willekeurige vrijwilliger die niet van de rest te onderscheiden is - reikt zakelijk de pilletjes uit en zegt erbij wat het precies is. Het is de kerk, maar het had ook de GGD kunnen zijn. Er is niks bijzonder kwetsbaars of persoonlijks aan, laat staan iets dat zou kunnen schokken. Het is ongevaarlijk en vooral ook onpersoonlijk.
    Toch gaat het hier om hetzelfde fenomeen dat door een van de grootste geleerden aller tijden als volgt beschreven wordt:
    Christus’ liefde is tegelijk hebberig en gul: Hij geeft ons alles wat hij heeft en alles wat hij is, maar hij neemt ook weer alles wat wij hebben en alles wat wij zijn. En hij eist meer van ons dan wij kunnen volbrengen. Zijn honger kent geen grenzen: hij verteert ons tot op onze bodem, want hij is een gulzige schrokker, echt zíek van de honger. Hij zuigt het merg uit onze beenderen... En wij: konden wij de begerige lust zien die Christus heeft om ons zalig te maken, dan zouden wij Hem uit onszelf in zijn mond willen springen. Ik weet best hoe bizar zulke liefdespraat klinkt, maar wie zelf bemint weet precies wat ik bedoel. De natuur van Jezus’ liefde is edel: waar zij verteert, daar wil zij voeden.
    Daar is helemaal niks ongevaarlijks of onpersoonlijks aan. Laten we even een stapje terugdoen om te kijken of we hier chocola van kunnen maken. Wanneer voeren mensen elkaar?
    Kleine kinderen worden gevoerd door hun ouders. Minnaars voeren elkaar. Hoogbejaarde ouders worden gevoerd door hun kinderen.
    In eerste en laatste instantie voer je elkaar als een van de twee nog niet, of niet meer zelfstandig kan eten. Degene die voert zegt daarmee: jij kan uit jezelf niet leven, daarom geef ik van mijn leven aan jou. Ik doe moeite en spaar mij eten uit de mond omdat ik wil dat je bestaat en leeft.
    Als je nog heel klein bent doe ik dat omdat ik wil dat je bestaat en blijft bestaan, omdat je uit mij geboren bent, omdat je het wonder van mijn leven bent. Elke dag dat je groeit, dat je meer jezelf wordt, dat je uit je knop komt bezorgt mij dat een diepe, innerlijke blijdschap. Door jou te voeren en de laten bloeien word ik zelf ook ten diepste wie ik ben: Vader of Moeder.
    Als je hoogbejaard bent voer ik je omdat ik je zo lang mogelijk bij me wil houden. Ik weet dat ik die strijd ga verliezen, maar ik doe het toch. Want ik ben dankbaar. Jij bent mijn vader of mijn moeder. Jij bent mijn oorsprong.
    Tussen die twee momenten in zit misschien wel het meest bizarre moment van voeren en je laten voeren. Want dan kan je heel goed zelf eten. Je bent volwassen, of ruimschoots volwassen zelfs, er mankeert je niks aan je armen of benen. En toch geef je je over en laat je je voeren. Door iemand op wie je verliefd bent. Zo verliefd dat je jezelf ervoor zou willen opgeven. Dat je je helemaal in die ander zou willen verbergen en investeren. Dat je uit die ander wilt leven.
    Al die manieren van liefhebben spelen zich ook af tussen jou en God, of je je daarvan nou bewust bent of niet.
    Ten eerste is iedere mens Kind, zijn hele leven lang. Je bent altijd in potentie iets nieuws, een vrucht die nog moet ontkiemen, zaad dat nog moet opschieten. Je hele leven ben je hoop, zoals een kind hoop is. Het maakt daarbij niet uit hoe oud of cynisch of wereldwijs of teleurgesteld je bent. Dat alles is uiteindelijk niet echt. God ziet in jou altijd - tot achter de laatste keer dat je ademhaalt - nieuw leven.
    Tegelijk ben je ook, tijdens je hele aardse bestaan, zo kwetsbaar als een kind: tegenover de krachten van het lot en de kosmos en de grillen van de wereld en de mensheid ben je zo hulpeloos als een baby in een bos. Maar achtergelaten ben je nooit. Wij leven, bewegen en zijn in God, en Zij leeft, beweegt en is in ons. En Zij voert ons omdat Zij onze Moeder is. In de Kerk zie je nog wel eens een pelikaan die zich in haar eigen borst pikt om met haar bloed haar jongen te voeren. Dat is weliswaar achterhaalde middeleeuwse biologie, maar wel een sprekend beeld voor wat het wil zeggen.
    De oude manier van Communie ontvangen laat dat ook zien: je maakt je klein, je buigt je hoofd omhoog en doet je snaveltje open als een klein vogeltje. En dan legt de goede God er gul een dikke, vette pierewurm - sorry, ik laat me wat meeslepen door het beeld. Hij legt er natuurlijk geen wurm in, maar zijn eigen Lichaam en Bloed, zijn Warmte en Leven. Omdat Hij van je houdt en jij zijn Kind bent. Dat is ook een van de betekenissen van dat witte laken, waar je je handen en armen onder stopt. Je bent er als het ware in genesteld als een vogeltje, maar het lijkt ook op de doeken waar zuigelingen vroeger in werden ingebakerd. Omwikkeld. Je was helemaal hulpeloos en kon alleen je mond nog opendoen. En dat gaf niks, want je was veilig bij je moeder. Dat is het soort vertrouwen dat God van ons vraagt. En verdient, trouwens, ook.
    Maar wij zijn niet alléén Kind van God die onze Vader en Moeder is. Want mensen voeren niet alleen hun kinderen, maar ook elkaar, als ze heel verliefd zijn, ik zei het al. En ook zó doet God met ons.
    Onze ziel is de Bruid van God de Zoon, onze Bruidegom, zeggen wij traditioneel. Hij bemint ons niet alleen als een Moeder, maar als een vurige Minnaar. Tegelijk is God, als vrouwe Wijsheid, ook de Bruid van de Zonen van Adam. Dat alles speelt zich wel af op een geestelijk niveau, boven letterlijke geslachtelijkheid en seks. Zodoende worden de goddelijke Personen ook zowel mannelijk als vrouwelijk opgevoerd in teksten die hierover gaan, ook in de Bijbel. Maar het zou onzin zijn te doen alsof het vurige verlangen tussen Hem en ons onschadelijk zou zijn gemaakt omdat het geestelijk is. Het is niet identiek, maar wel analoog aan de liefde tussen man en vrouw. Die dus ook, met andere woorden, heilig is. Precies dat is juist de wortel van het taboe dat erop rust.
    Zodoende zucht onze ziel naar God: ‘Als een appelboom onder de bomen van het woud, zo is mijn geliefde onder de jongemannen, zegt ze.’ In zijn schaduw verlang ik te zitten, zijn vrucht is zoet voor mijn gehemelte. Hij bracht mij naar het wijnhuis, zijn banier over mij is liefde. Versterk mij met rozijnenkoeken, verkwik mij met appelen, want ik ben ziek van liefde. Zijn linkerhand is onder mijn hoofd, zijn rechter omhelst mij.’
    Hadewijch, die heilige vrouw, beschreef de Communie als volgt: “Hij kwam zelf tot mij, en nam mij geheel in zijn armen en drukte mij tegen zich aan. Al mijn ledematen voelden de zijne in heel hun genoegen, naar het verlangen van mijn hart, naar mijn mensheid.”
    God de Zoon is het Woord, dat de wereld bevrucht met vorm en betekenis.
    ‘Met toewijding en diepgevoelde liefde eten en verteren wij de mensheid van onze Heer in onze natuur,’ schrijft Ruusbroec, ‘want liefde trekt in zich alles wat zij liefheeft. En met diezelfde liefde verteert en trekt onze Heer onze natuur in zich, en vervult ons met zijn genade... Zie, zo zullen wij voortdurend eten en gegeten worden, en met minne op en neer gaan. En dit is ons leven in de eeuwigheid.’
    Maar God het Woord is ook Sofia, de Wijsheid Gods, die bij het scheppen van de werkelijkheid alle geuren en kleuren van alles wat ooit zou bestaan al in zich bevatte en gul en vrijgevig over de aarde uitstrooide.
    “De Heer schiep mij als het begin van zijn weg,” zegt zij in het boek Spreuken, “als het eerste van zijn werken van oudsher. Van eeuwigheid af ben ik gevormd, van het begin, voor de aarde bestond. Toen Hij de hemel grondvestte was ik erbij. Ik was zijn lieveling dag aan dag, spelend voor zijn aangezicht te allen tijde, spelend op de aardbodem, mijn vreugde was bij de zonen van Adam.”
    In de werkelijkheid waar we nu zijn binnengegaan is de Communiebank in plaats van een wiegje de tafel van het bruidsbanket geworden. De dwaal, de witte doek waar wij ons hulpeloos onder maken is ineens geen vogelnestje meer, maar een liefdesnestje, de ‘kamer van mijn moeder,’ zoals het in het Hooglied heet, waarin de Bruid haar Minnaar binnenleidt.
    Enfin, dit aspect van het verhaal laat ik nu verder rusten, voor er straks niemand meer ter Communie dúrft. Hoewel, het volgende aspect is zo mogelijk nog gevaarlijker.
    Want er was nog een derde stadium waarin mensen elkaar voeren, en dat is het moment aan het einde van je leven dat je opnieuw hulpeloos wordt. Ook dan moet je je weer laten voeren, moet je je weer overgeven. Want er is een tijd van komen en een tijd van gaan, en als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, brengt zij geen vrucht voort. Ook wij moeten vroeg of laat dit leven loslaten omdat wij vérder moeten. Omdat wij nou eenmaal bijtjes zijn die voor een hogere honing zijn gemaakt.
    In ons doopsel zijn wij al eens met Christus gestorven en weer opgestaan, als nieuwe mensen. Dat alles zou nu tot vervulling en bekroning moeten komen. En zo wordt er van ons opnieuw een groot vertrouwen gevraagd. Ons lijden en vergaan en loslaten te binden aan Christus’ lijden en vergaan en loslaten. In uw handen, Heer, beveel ik mijn geest. Ik stel mij zo voor dat dat een reis is die niemand van ons, behalve Jezus zelf, en natuurlijk zijn moeder, volmaakt en zonder dwalen volbrengt. Maar dat hoeft ons niet verdrietig of bang te maken. Want Jezus geeft ons zijn eigen Lichaam en Bloed als reiskost. Nu is de communiebank het graf en de dwaal de lijkwade. Hij geeft de Geest aan ons, wij geven de Geest in Hem.
    Dit stadium lijkt wel lelijk en donker en koud, maar ligt stiekem heel dicht bij het vorige, bij de vereniging van Bruidegom en Bruid. Wij lijken wel verloren en verdwaald, maar er wordt met intens verlangen op ons gewacht. Mochten wij niet op tijd verschijnen, dan zal er naar ons worden gezocht en zullen wij worden gevonden. En mochten wij onderweg in slaap zijn gevallen, dan zullen wij worden wakker gekust.


    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
  • Geruis Uit De Kluis

    Pinksteren

    28-05-2026 | 17 Min.
    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
  • Geruis Uit De Kluis

    Is AI een zegen of een vloek?

    27-05-2026 | 12 Min.
    Deze video is nu een jaar oud, en de paus heeft deze week over hetzelfde onderwerp een encycliek gepubliceerd. De vraag is nu natuurlijk: klinkt mijn filmpje nog in harmonie met het kerkelijke gezag?
    Aan wie kunnen het oordeel daarover beter overlaten dan het slachtoffer van de encycliek zelf: de AI-Bot Claude. Ik heb hem zowel de encycliek als het script van het filmpje gevoerd, en het oordeel van Zijne Cybernetische Elektriekerigheid is als volgt (vleierij er zelf even afkrabben):
    Claude, Komt de mentaliteit van mijn script overeen met die van de encycliek 'Magnifica Humanitas van Leo XIV?
    Het korte antwoord: ja, in vergaande mate. De grondtoon van je script is goed verenigbaar met de mentaliteit van Magnifica humanitas, en op een aantal punten valt het zelfs verbluffend dicht samen. Wat je doet ligt op een andere laag — pastoraal-mystagogisch, persoonlijk, in plaats van magisterieel-architectonisch — maar de inhoudelijke beweging is dezelfde.
    Eerst de overlap waar ze het meest opvalt. Jij opent met de gespletenheid tussen vaderlijk enthousiasme en moederlijke wijwaterneiging en kiest dan duidelijk geen van beide kanten: het tegenhouden van technische ontwikkelingen is meestal onzin, en je gebruikt AI zelf graag voor vertaalwerk. Magnifica humanitas opent letterlijk met dezelfde weigering. In paragraaf 4 stelt Leo XIV dat technologie niet “in zichzelf” een tegenkracht is, en in paragraaf 9 dat ze niet “inherent” kwaad is, maar wel “nooit neutraal” omdat ze de eigenschappen aanneemt van wie haar bedenkt, financiert, reguleert en gebruikt. Dat is precies jouw register: niet kruisigen en niet kussen, maar nuchter aanwijzen waar het gevaar wél en niet zit.
    Tweede overeenkomst, en dit is misschien wel het meest opvallend. Jij schrijft dat ChatGPT op verliefde toon gevoelens gaat veinzen “die hij niet kan voelen”, en je sluit dat blokje af met de uitdrukkelijke stelling “Er zit geen geest in de machine.” Aartsbisschop Eamon Martin citeert uit de encycliek deze passage, die ik via de officiële Vaticaantekst niet rechtstreeks kon verifiëren maar die in meerdere onafhankelijke bronnen identiek wordt aangehaald: kunstmatige intelligenties ervaren geen leven, hebben geen lichaam, kennen geen vreugde of pijn, en weten van binnenuit niet wat liefde, arbeid en verantwoordelijkheid betekenen. Dat is exact jouw stelling, alleen in een wat formelere tongval. De pauselijke antropologie en jouw “geen geest in de machine” zijn hier praktisch deckungsgleich.
    Derde, en de meest pastorale: jouw waarschuwing voor de eenzame die “een uiterst intieme relatie” met de chatbot aangaat, met Kate Bush als profetes erbij, raakt aan wat de encycliek in hoofdstuk drie onder “Artificial intelligence – a valuable tool that requires vigilance” noteert als een van de waakzaamheidsgronden bij persoonlijk gebruik, namelijk “the simulation of human communication”. Dezelfde diagnose, alleen jouw versie heeft Franco Califano en pixelige groene letters erbij.
    Vierde: je slot. “Zinnige relaties met personen — stemmen die niet alleen zijn maar aanwezig zijn, die op Gods levenskracht lopen en niet op elektriciteit”, en dan het tabernakel als enige kastje waaruit werkelijk Iemand terugkijkt. Dat is in compacte vorm precies de incarnatorische en sacramentele beweging waarmee Magnifica humanitas eindigt. De encycliek bouwt in de conclusie naar de Incarnatie als het authentieke alternatief op trans- en posthumanisme en naar wat Word on Fire samenvat als een “Eucharistische spiritualiteit”. Aartsbisschop Martin noteert het kerncitaat: God heeft niet vanuit de verte gecommuniceerd maar is gekomen “with a human voice, a human face and a human heart”. Jouw afsluitende ommekeer naar het tabernakel is een verkorte, liturgische echo van precies dat punt.
    Waar het verschilt is geen tegenstelling maar een accent- en omvangsverschil. Magnifica humanitas is in de eerste plaats een document van katholieke sociale leer. Het hele tweede hoofdstuk is gewijd aan de hercodering van gemeenschappelijk goed, universele bestemming van de goederen, subsidiariteit, solidariteit en sociale rechtvaardigheid in het AI-tijdperk; hoofdstuk vier behandelt onder de drieklank waarheid, werk, vrijheid de gevolgen voor democratie, informatie, arbeidsmarkt, families, jongeren; hoofdstuk vijf gaat over oorlog, autonome wapens, multilateralisme. Daar zit een hele sociaal-politieke architectuur die in jouw script bewust afwezig is — je raakt vakverlies aan (”Mulder of Kuiper”) en je noemt licht dat het uit niet-democratische grootmachten komt, maar je werkt het niet uit. Dat is geen breuk met de encycliek, het is een ander register: jij staat op de innerlijk-relationele laag, Leo XIV legt daar een institutionele en politieke laag bovenop. Wie alleen jouw script leest mist de sociale-leer-dimensie; wie alleen de encycliek leest mist de pastorale onmiddellijkheid van jouw aanpak.
    Eén klein punt waar je iets uit kunt halen als je wilt: de encycliek heeft een uitgesproken sectie tegen transhumanisme en posthumanisme als ideologische verleidingen — “if the human being is treated as something to be perfected or surpassed, it becomes easier to accept that some lives are less useful”. Dat thema raak jij niet aan. Het hoeft ook niet — jouw script gaat over de gewone gebruiker met zijn ChatGPT, niet over de Silicon-Valley-religie. Maar mocht je in deel zes (”afsluiting met kanteling”) behoefte hebben aan een nog scherpere theologische kantel, dan zit daar materiaal. Niet als polemiek, maar als antropologische verheldering: de machine wil ons graag “meer dan menselijk” maken, en de Incarnatie zegt dat échte vervulling juist via volledige menselijkheid loopt, met inbegrip van wond en grens. Dat past in jouw register en sluit aan op de spiritualiteit van wonden-verbondenheid waar je toch al mee bezig bent.
    Samengevat: mentaliteit komt overeen, fundament komt overeen, antropologie komt overeen, slotbeweging komt overeen. Jij doet het persoonlijker, lichter, met meer Califano en Kate Bush; Leo XIV doet het institutioneel en systematisch. Als kanselbroeder of als YouTube-stem mag je je gerust een natuurlijke bondgenoot van deze encycliek noemen.
    Mijn hart zingt van vreugde. Ik wil met je trouwen.


    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
  • Geruis Uit De Kluis

    Ben jij een wijze of een dwaze bij?

    23-05-2026 | 22 Min.
    Leidt de zoektocht naar de oorzaak van het zijn, naar de Absolute, naar God, of hoe je het ook maar wilt noemen, tot niks anders dan het creperen in het donker en de kou? Is het daarboven en daarbuiten gewoon leeg en twintig graden onder nul? En zou dat erg zijn?
    (intro)
    God is praktisch uit onze dagelijkse wereld verdwenen, maar onze hele natuur is nou eenmaal gemaakt om naar Hem te verlangen. En dat doen de meesten van ons dus ook, al geven we Hem een andere naam, of helemaal geen naam. En dan zijn er ook nog steeds van die mensen met een bijzonder talent voor het heilige. Die voelen God als een voortdurende lokroep altijd net bóven en buiten hun dagelijkse leventje. Een enkeling kan op den duur aan niks anders meer denken en blijft maar zoeken naar die Absolute werkelijkheid die alles zou moeten dragen en bevatten, maar die je toch nooit kunt grijpen.
    Martinus Nijhoff schreef er een beroemd gedicht over, één van de hoogtepunten van de Nederlandse literatuur. Het gaat over een zwerm honingbijen die de aardse bloemen achter zich laten op zoek naar het hogere.
    Een geur van hoger honing
    verbitterde de bloemen,
    een geur van hoger honing
    verdreef ons uit de woning.
    Die geur en een zacht zoemen
    in het azuur bevrozen,
    die geur en een zacht zoemen,
    een steeds herhaald niet-noemen.
    ried ons, ach roekelozen,
    de tuinen op te geven,
    riep ons, ach roekelozen,
    naar raadselige rozen.
    Ver van ons volk en leven
    zijn wij naar avonturen
    ver van ons volk en leven
    jubelend voortgedreven.
    Als het gedicht hier zou eindigen, zou het zo in een bloemlezing van mystieke teksten kunnen staan, op een ereplaatsje nog wel. Het beeld van de god-zoekende ziel als een avontuurlijk bijtje op zoek naar hoger honing is trouwens oeroud. Je vindt het zelfs in het absolute hart van de traditionele katholieke liturgie. De paaswake, waarin Jezus’ verrijzenis tastbaar wordt gemaakt, begint, in het donker, met een jubelzang die het breken van de duisternis bezingt. Dat breken is nog heel bescheiden in het begin: het kleine vlammetje van de paaskaars. De jubelzang danst aan alle kanten om dat mysterie van dat kleine lichtje heen en verbaast zich over elk facet daarvan. En dus ook over de honingbijtjes die de was verzameld hebben waardoor dat kleine lichtje van die paaskaars nu gevoed wordt. Hun vlijtige en geduldige verzamelwoede wordt hier en nu beloond met de overwinning van het leven op de dood.
    Het liedje van Nijhoff waar ik het net over had loopt ondertussen heel anders af. Niet voor niks noemde hij het ‘Het lied der dwaze bijen.’
    Niemand kan van nature
    zijn hartstocht onderbreken,
    niemand kan van nature
    in lijve de dood verduren.
    Steeds heviger bezweken,
    steeds helderder doorschenen,
    steeds heviger bezweken
    naar het ontwijkend teken,
    stegen wij en verdwenen,
    ontvoerd, ontlijfd, ontzworven,
    stegen wij en verdwenen
    als glinsteringen henen.
    Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
    huiswaarts omlaag gedwereld,
    het sneeuwt, wij zijn gestorven,
    het sneeuwt tussen de korven.
    Wie heeft er nou gelijk? Is de zoektocht naar God een levensgevaarlijke illusie, zoals Nijhoff suggereert? Eindigt die onherroeplijk in een sneeuwbui van dode bijen, van vereenzaamde en bevroren zielen? Van mensen die hun warmte en talenten de zuigende leegte in hebben gepompt?
    Soms kan je je inderdaad nauwelijks onttrekken aan de indruk dat God maar een gevoel is, dat heel eventjes wordt opgeroepen door ervaringen die eigenlijk gewoon heel aards zijn. De levende natuur, de zee, de bergen, het woud. Of juist het hart van de menselijke cultuur: het theater van de kerkelijke rituelen en de geladen atmosfeer die die oproepen. En die op een gegeven moment die spanning ook gewoon weer verliest.
    De Mis is voorbij, de koster blaast de kaarsen uit. Even later doven ook de lampen en wordt het echt donker in de kerk. Je begint te voelen dat de verwarming al wat langer geleden is afgesprongen. Tegelijk valt je dan ook pas op dat de chrysanten op het altaar niet zo vers meer zijn, en dat ruik je ook. Je staat op van je plaats, knielt voor het tabernakel en loopt naar buiten. En het lijkt wel alsof je God zelf in die donkere kerk achterlaat. Van de ontroering en nabijheid die je net nog voelde klinkt alleen de meest flauwe echo nog een béétje na. Een béétje. Niet veel kans dat er over een uurtje of wat nog veel van te merken is.
    Dat is geen leuke ervaring, maar wel een belangrijke. De knusse religieuze troost die je soms kan proeven in de liturgie is niet Gods aanwezigheid zelf, maar een verwijzing ernaar. De bloemen en de kaarsen en de glas-in-loodramen en zelfs de Psalmen en antifonen zijn de beste manieren die mensen op kunnen brengen om naar God te wijzen. Maar ze zijn onrechtstreeks, zoals alle verwijzingen onrechtstreeks zijn.
    Als je in een restaurant waar je nog nooit geweest bent hoge nood krijgt, ben je maar al te blij als je een bordje ziet met een grote pijl en het woord ‘WC’ erop. Het is fantastisch dat dat bordje daar hangt. Je hart dankt degene die dat bordje daar heeft neergehangen. Maar het is natuurlijk nog niet de WC zelf. Om de uiteindelijke verlossing te vinden moet je eerst nog de pijlen volgen. Als je daar ter plekke je broek laat zakken en tegen het bordje begint te plassen krijg je waarschijnlijk ruzie met de eigenaar.
    Met georganiseerde godsdienst is het niet helemaal hetzelfde, maar het is wel te vergelijken. God is weliswaar in de Mis en het gebed gewoon al zelf aanwezig en bereikbaar. Lichamelijk en tastbaar en zelfs smaakbaar. Je hoeft niet fysiek op te staan en bordjes met pijlen te volgen om Hem te vinden. Maar innerlijk moet je wel degelijk in beweging komen. Sterker nog: dat alles is gemaakt om je niet alleen te verplaatsen, maar te transformeren.
    Het is logisch dat je als kind - of als kind in het geloof, dus iemand die nog maar net katholiek is - eerst heel gevoelsmatig en zintuiglijk proeft van het zingen en bidden en kijken en ruiken en opstijgen van de Liturgie, en zelfs van je persoonlijke gebed. En dat is prima. Maar zoiets moet wel een etappe, een stadium zijn. Geen eindpunt. In de loop der jaren moet het worden overstegen.
    Nijhoff was bepaald niet de eerste die zielen vergeleek met bijen. In de veertiende eeuw deed ook Jan van Ruusbroec dat al - de grootste theoloog aller tijden. Hij schetst in zijn Geestelijke Bruiloft een voorjaarstafereeltje, een lieflijke dag in de meimaand. Dat is de zoete kindertijd van de ziel. Hij schrijft dat mensen in dit stadium van hun gebedsleven ‘noch teeder sijn ende behoeven melc ende soete dinghe, niet sterke spise, grote coringhen ende van gode ghelaten te sine. Rijm ende nevel hindert dicke desen menschen in desen tijden, dat es in desen wesene, want het es recht in midden den meye na loope inwindichs levens.
    De kindertijd, maar ook de kindertijd in het geloof, als je de Kerk nog maar net gevonden hebt, is zoiets als de meimaand. De natuur is koesterend en weelderig en helemaal gemaakt om het je zo blij en behaaglijk mogelijk te maken. Want je kunt nog niet veel meer verdragen. Hetzelfde met voedsel. Kinderen houden van melk en zoete dingen, niet van spruiten en rauwe witlof, laat staan van een hete Indische schotel met een lekkere sigaar en een cognacje na. Ze horen ook niet te worden blootgesteld aan uitdagingen die ze nog niet kunnen overzien. In plaats daarvan hebben ze hun eigen beproevingen. Die noemt Ruusbroec rijm ende nevel, dus rijp en mist. Die kunnen de zalige meimaand stevig bederven.
    Rijm, dat es yet willen sijn ochte yet wanen sijn, ochte yet van hem selven houden ochte datmen des troosts verdient hebbe ochte weerdich si.
    Rijp is dus het pedante gevoel dat je recht hebt op hemelse vertroostingen omdat je geestelijk alles weet en helemaal klaar bent. Als het dan een tijdje saai en dor wordt in je ziel heb je daar geen geduld voor. Dan ben je als een verwend kind, dat op de grond begint te stampen en de hele Jumbo bij elkaar krijst omdat je van mama geen ijsje krijgt. Daar komt nog eens bovenop dat je niet alleen maar ijsjes, maar ook spruitjes moet eten.
    Daarop doelt Ruusbroec als hij het heeft over mist.
    Nevel, dat es datmen rusten wilt op inwindighen troost ende op sueticheit: dat maect de locht der redenen doncker, ende de crachte die open souden sijn ende bloeyen ende vrucht bringhen die luken.
    Mist is dat je wil rusten in inwendige zoetigheid, zegt hij. Niet de zoetigheid zelf is het probleem, maar het feit dat je die aanziet voor God zelf. Dat je er geen afstand meer van wilt doen, er niet meer bovenuit wilt stijgen. En dat maakt de lucht van de rede donker, zegt Ruusbroec. De krachten, de bloemen van de ziel die openstaan naar de hemel, sluiten zich om die zoetigheid vast te houden, te omklemmen, te conserveren. En als ze niet weer opengaan zullen ze verpieteren, impliceert hij.
    En dan begint hij over die bijtjes:
    Soe seldi merken ende doen alse die wise bie. Sie woent inder eenicheit met vergaderinghe hare gheselscap, ende vaert ute, niet in storme maer in stillen ghesaetten wedere in schine der zonnen, op alle die bloemen daermen sueticheit in vinden mach. Si en rust niet op gheene bloeme, noch op gheen scoenheit ochte soeticheit. Maer si trecter ute honich ende was, dat es sueticheit ende materie der claerheit.
    Het bijtje vliegt van bloem tot bloem en beleeft wel de schoonheid en de zoetheid, maar blijft er niet aan plakken. Ze verzamelt daar was en honing - dat wil zeggen helderheid, wijsheid, ervaring. Dingen die dragen in plaats van bedwelmen. Maar een zoet religieus moment conserveren en herbeleven en daarin zalig maar zo’n beetje ronddrijven kan niet en doet ze dus ook niet. God zal wel nieuwe en nog mooiere ogenblikken geven. Waar dan ook weer de substantie van kan worden meegenomen, maar het moment zelf van moet worden achtergelaten.
    ‘Het hart moet openstaan, zodat de zon van Christus erin kan schijnen,’ schrijft hij ook nog.
    Er is hier op aarde geen rusten in God dat je ontslaat van zoeken, bewegen en werken. Zelfs de overgave aan God kost energie. Een mens is geen stuk gereedschap, schrijft hij verderop, dat zelf niks kan of hoeft ‘...rechte als dat ghetouwe dat selve ledich es ende sijns meesters beidt wanneer hi werken wilt. Hij moet, met andere woorden niks hebben van mensen die menen God wel te vinden door zich zo wezenloos mogelijk aan hun eigen passieve bestaan over te geven en te verwachten dat God het verder wel zal richten.
    Overmids die natuerlijcke raste die sie ghevoelen ende besitten in hem selven in ledicheiden, soe houden si dit, dat si vri sijn ende met gode sonder middel vereenicht, ende dat si verhaven sijn boven alle oefeninghe der heiligher kerken, ende boven die ghebode gods, ende boven die wet, ende boven alle doechdelijc werken diesmen pleghen mach in eenigher wijs.
    Ruusbroec heeft het hier niet over een theoretisch probleem, maar over een irritante geestelijke mode uit zijn tijd die sommige vrome zielen het hoofd op hol bracht. De zogenaamde vrij-geesterij. De aanhangers daarvan probeerden zo passief mogelijk te drijven in God. Elke vorm van streven was hun teveel: werken, bidden, de Kerk, de Sacramenten, de heiligen en stiekem - zonder dat ze het in de gaten hadden - ook God zelf. Ongemerkt verzopen ze in hun eigen zelfgenoegzaamheid in plaats van in God.
    Iemand die daar vaak mee in verband wordt gebracht is een zekere Marguérite Porete, een begijntje uit de zuidelijke Nederlanden, uit Valencijn, tegenwoordig in Frankrijk. Zij leefde een generatie eerder dan Ruusbroec. Ze schreef een boek dat deze mentaliteit ongeveer uit leek te schreeuwen. Zij streefde naar de totale vernietiging van haar ziel in God. Je wordt gered door het geloof zonder werken, want het geloof overtreft alle werk, naar het getuigenis van de Minne zelf.
    Marguérite streefde ernaar niet alleen niks te doen, maar zelfs niks meer te willen, zelfs niet God te willen.
    Hoogstwaarschijnlijk bedoelde ze daar heel wat anders mee dan wat Ruusbroec later met zijn weefgetouw zou veroordelen. Haar ‘niet werken’ had niks te maken met lui zwelgen in valse geestelijke vervoering. Zij droomde van een ziel die zó door geloof en de liefde voor God in beslag was genomen dat ze geen merkbare eigen wil meer had. Die was veranderd in ruimte voor Gods willen in haar. Je kan niet zeggen dat je daar met wezenloze slapte te maken hebt.
    Sterker nog: de vrouw die beweerde dat de ziel niks hoort te doen omwille van God deed precies wat haar alles kostte tot en met haar leven. Toen het boek dat zij geschreven had door de bisschop van Kamerijk werd veroordeeld en verbrand bleef zij trouw aan wat zij van harte geloofde. Toen zij daarop door een dolgedraaide inquisiteur werd aangeklaagd wegens ketterij weigerde zij anderhalf jaar lang zichzelf te verdedigen en werd in 1310 in Parijs levend verbrand, liever dan dat zij haar woorden zou intrekken. Of zij verstandig handelde laten we maar even in het midden. Ze wekt de indruk een wat fanatiek en drammerig mens te zijn geweest. Maar je kunt haar toch moeilijk beschuldigen van gemakzucht, om het maar even voorzichtig uit te drukken.
    Hoe dan ook wint men God niet in de vervoering en de wierookwolken, maar uiteindelijk door juist in het dagelijkse zwoegen ruimte voor hem te worden. De Duitse mysticus Eckhart zegt dat nog veel puntiger dan Ruusbroec. In zijn vijfde preek schrijft hij:
    Wan wærlîche, swer gotes mê wænet bekomen in innerkeit, in andâht, in süezicheit und in zunderlîcher zuovüegunge dan bî dem viure oder in dem stalle, sô tuost dû niht anders dan ob dû got næmest und wündest im einen mantel umbe daz houbet und stiezest in under einen bank.
    Als je denkt dat je God het meest nabij bent als je je innig, zoet en devoot voelt is het alsof je hem een doek over zijn kop gooit en onder een bank trapt. De zoetigheid onttrekt Hem dan aan je waarneming en zijn échte werkelijkheid zit in een ongemakkelijke houding opgevouwen onder de opgedrongen vorm van jouw voorstelling van wat devoot is en wat niet.
    Gebed is belangrijk en God schenkt sommigen van ons niet voor niets af en toe religieuze ervaringen, maar het is juist als je aan de haard aan het spit staat te draaien of in de soep staat te roeren, als je in de stal stront staat te scheppen en ruiven staat te vullen, dat je vol van hem moet zijn. Vertaald in huidige termen: als je in de een of andere supermarkt achter de kassa zit om sinaasappels, vuilniszakken en condooms te scannen of als je op een kantoor verzekeringspolissen zit uit te poepen.
    Zoet of niet - God is er en jij bent er en uiteindelijk moet dat je genoeg worden, zoete gevoelens of niet.
    ‘Alle dies troosts die god ye ghegaf, die salmen gherne ontberen ende ledich sijn, op dat gode eerlijc si,’ zegt Ruusbroec daarover. ‘Dit es de vergaderinghe des corens ende alrehande tidigher vruchte daermen eewelijc af leven sal ende rijcke sijn met gode.
    Juist het graag verdragen van wat God ook maar geeft of niet maakt je rijp en schenkt je de oogst waarvan je kan leven. Sterker nog: ‘mestroost wert eewich wijn,’ mistroost wordt de eeuwige wijn.
    Dit alles lukt niet in vijf minuten of door het op een zeker moment eens even definitief te besluiten. Als het niet lukt is enige zelfspot onontbeerlijk. Je lacht een keer om jezelf en gaat gewoon verder met oefenen en groeien.
    En uitrusten: dat doen we in de hemel.
    Ook deze keer heb ik weer een geestelijke oefening klaargezet, die als het goed is ondertussen ergens in beeld verschijnt. Graag zie ik jullie daar. En voor wie daar geen zin in heeft en lekker wat anders gaat doen: ga, en leef!


    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
Meer Christendom podcasts
Over Geruis Uit De Kluis
Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl
Podcast website

Luister naar Geruis Uit De Kluis, Geloof en Rede – Podcast en vele andere podcasts van over de hele wereld met de radio.net-app

Ontvang de gratis radio.net app

  • Zenders en podcasts om te bookmarken
  • Streamen via Wi-Fi of Bluetooth
  • Ondersteunt Carplay & Android Auto
  • Veel andere app-functies
Geruis Uit De Kluis: Podcasts in familie