PodcastsChristendomGeruis Uit De Kluis

Geruis Uit De Kluis

Pater Hugo
Geruis Uit De Kluis
Nieuwste aflevering

44 afleveringen

  • Geruis Uit De Kluis

    De Nacht waarin God Zwijgt

    28-03-2026 | 25 Min.
    Zo kennen wij dat wel. Die God is nogal eens nergens te bekennen, juist als je het benauwd hebt. ‘Waar is die God van jou?’ denk je dan. ‘En wat voor een Vader is dat?’
    Het is de avond van Witte donderdag. Jezus ligt, in de steek gelaten, in het donker in een verlaten tuin te bidden. Hij is doodsbang. Morgen zal Hij afschuwelijk worden gemarteld en vermoord, en Hij wéét dat. “Laat het aan mij voorbijgaan!” schreeuwt Hij uit, tot God die Hij zijn Vader noemt. Maar die zogenaamde Vader zwijgt, in alle talen.
    Dat lawaaierige zwijgen is de stem van de wanhoop waartegen Jezus hier aan het vechten is. En Hij dreigt dat gevecht te verliezen. Hij is maar een mens.
    Maar dan, juist als Hij breekt, welt er een ander gebed uit Hem op. ‘Niet mijn wil, maar jouw Wil,’ fluistert Hij. En dan komt er een engel om Hem te troosten.
    Ik wil ook een engel om mij te troosten, als ik bang ben, of ziek, of als ik het echt niet meer weet. Hoe heeft Jezus die naar zich toe gelokt? En is dat alleen weggelegd voor mensen die stiekem tegelijk ook God zijn, of ook voor ons?
    In deze video leg ik je uit wat hier gebeurt, en aan het einde geef ik je weer, net als vorige week, een oefening. Die gaat je niet in een vingerknip in een lichtgevend spook of een vliegende non veranderen, maar je wel helpen ruimte te maken voor wat het Heilige in jou zou kunnen doen. En dat zou je een enorme hoop benauwdheid kunnen schelen, als puntje bij paaltje komt. Enfin, aan het werk.
    (Intro)
    Welke vader laat zijn Kind nou zó alleen? Om niet te zeggen: welke vader loopt zijn eigen Kind nou zó te martelen? Want God laat Jezus niet alleen in de steek - en ook nog eens precies dán wanneer het er het meest op aankomt. Hij onttrekt Hem actief zijn troost.
    Want dat zijn Zoon door al zijn vrienden in de steek wordt gelaten, wordt bespuugd, wordt vernederd, wordt kapotgeslagen, wordt gekroond met doornen, wordt spiernaakt en krijsend aan een kruis getimmerd is duidelijk de wil van zijn Vader. Zelfs dat zijn moeder daarbij staat te kijken en niks kán - en dat Hij dat dan weer ziet, hoe haar hart met Hem sterft - dat is duidelijk de wil van zijn Vader. Dat zij zijn bloederige vel zonder ziel in haar schoot geworpen krijgt - dat is de wil van de Vader. Over dat alles is de traditie heel duidelijk.
    Het hele verhaal is niet te snappen. Want was die Jezus Christus niet zélf van goddelijke natuur? Hoe kan God zichzelf smeken om Hem te komen redden en dan ook nog eens niet verhoord worden? Niet mijn wil, maar uw wil geschiede? Wat?
    En dan uiteindelijk aan dat kruis: ‘God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Hoe?
    Laten we, om niet alleen Jezus Christus, maar ook onszelf iets beter te begrijpen, maar even een stapje terugzetten.
    Wij mensen zijn het meeste mens als wij liefhebben. We hebben het vaak niet eens in de gaten, maar meer nog dan zelf gelukkig zijn maakt het gelukkig maken van anderen ons gelukkig. De mensen van wie wij houden. De wereld waarin wij leven.
    Maar die wereld werkt daar niet automatisch in mee. Soms lijkt het wel alsof ze er zelfs op uit is om zoveel mogelijk van ons zo snel mogelijk de dood in te jagen, liefst op een gruwelijke manier. Ziekten, aardbevingen, hongersnoden, het houdt nooit op.
    Wijzelf werken trouwens ook niet zomaar mee. Zelfs als we van goede wil zijn gedragen we ons nogal eens heel egoïstisch, ten koste van iedereen om ons heen. Of het nou om geld, aandacht, eten, macht of seks gaat: het lijkt wel alsof we nooit verzadigd raken en nooit tevreden zijn.
    Er zijn wetenschappers die zich opwerpen als een soort moderne priesters. Die zeggen dat dat allemaal komt omdat de wereld geschapen is door een nogal koude godin en haar hulpje, die Toeval en Evolutie heten. Die hebben de zaken zo geregeld dat alles wat leeft van nature maar op twee dingen gericht is: zichzelf in stand houden en zichzelf kopiëren. Ten koste, desnoods, van alles wat daarbij in de weg loopt. Zij zeggen dat dat nou eenmaal zo hoort.
    Wij katholieken zeggen dat het helemaal niet zo hoort. Wij kijken zo graag naar alles wat er wél mooi en teder is aan de natuur en de mensheid. En menen daarin toch eerlijk, door alle ellende heen, iets van een oorspronkelijk idee van de schepping te kunnen zien.
    Sterker nog: we hebben er heimwee naar. Het is alsof we er al ooit waren, maar op drift zijn geraakt. We hebben trouwens ook heimwee naar onszelf, maar dan onszelf zoals we bedoeld zijn. Want we zijn niet zomaar vanzelf onszelf. Daar is een vorm van groeien voor nodig. Een vorm van groeien die lang niet altijd goed afloopt en die trouwens soms überhaupt meer op een oorlog lijkt.
    Want als we ons maar een beetje laten gaan beginnen we al snel wezenloos te graaien naar de behoeften die door het meest dierlijke in ons worden aangejaagd. Vreten, zuipen, neuken lijken het meest plat. Maar de voortdurende behoefte aan aandacht, eer, glorie en bevestiging is minstens net zo erg. En er zijn maar weinig van ons die dat zo wel prima vinden.
    Het lijkt wel alsof we, telkens als we niet willen doen waar we zin in hebben, maar wat we eigenlijk ten diepste willen, we onszelf geweld aan moeten doen. Dat merken we bijvoorbeeld wanneer we écht enthousiast worden over iets dat ons dieper raakt dan onze onderbuik. Wanneer we ons bijvoorbeeld verliezen in gitaar spelen of wielrennen, en ons helemaal te pletter trainen en repeteren.
    En vooral merken we het als we van iemand houden, en die willen verzorgen of voor ons winnen, redden of gewoon gelukkig zien worden.
    Dan zijn we ineens in staat om alles wat we lekker of gemakkelijk vinden compleet te vergeten. Dan zijn we ineens wél in staat om, dwars door pijn en ellende, over alle grenzen van ons welbehagen, onze eigenliefde en ons zelfrespect heen te denderen.
    Dat is precies wat hier gebeurt met die Jezus die in doodsangst in die tuin bloed ligt te zweten. Zijn vrienden, die Hij had meegenomen om Hem te troosten, waren in plaats daarvan keer op keer in slaap gevallen. Dat had zijn eenzaamheid eerder nog pijnlijker gemaakt. Maar Hij verwijt het hun niet. ‘De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak,’ zegt Hij, vergoeilijkend. Hij weet het, want Hij vecht in zichzelf tegen precies hetzelfde vlees.
    In Christus zijn twee willen met elkaar aan het vechten: de goddelijke en de menselijke. De wil tot zelfbehoud en de wil tot zelfgave.
    Zijn menselijke wil is bang voor het lijden en de dood, want zo is ze gemaakt en hoort ze te reageren. Zelfbehoud is de mens ingeschapen. Zelfs de meest volmaakte en heilige menselijke wil is afkerig van het lijden en de dood. Terecht. Want die horen helemaal niet te bestaan. Ze zijn niet geboren uit de wil van God maar uit de eigenwijsheid en het egoïsme van de mens en de scheefgroei van de schepping. Ze zijn uiteindelijk niet natuurlijk. Ze wortelen niet in Gods aanwezigheid - dus in het echte, het goede en het schone. Ze komen voort uit het ontbreken daarvan.
    In gewone mensentaal: ‘de mens hangt aan het leven,’ en dat is maar goed ook. Toch zegt Christus ook dat alleen die mens het meest volmaakt bemint die zijn leven geeft voor zijn vrienden. Er is, met andere woorden, een zelfloze wil die de menselijke wil tot zelfbehoud te boven gaat.
    Als Christus dus in de Hof van Olijven uiteindelijk breekt en zegt: ‘Niet mijn wil, maar jouw wil,’ is dat stiekem geen falen, maar winnen. Zijn wil wordt Hem niet uit handen geslagen. Hij geeft die, heel bewust en uiteindelijk vrijwillig, aan de Vader. Hij brengt zijn menselijke wil actief in harmonie met zijn goddelijke wil.
    Dat is de wil om ons uit het diepst van onze ellende te komen wegtrekken, ook als Hij daarvoor alles wat Hij is, van zijn waardigheid tot zijn bloed, tot de laatste druppel moet uitgieten.
    Hij is geen mens geworden om te oordelen, maar om te redden. En wel door niet alleen vlees te worden, maar helemaal solidair met ons tot in het putje van onze ellende te kruipen. Christus wordt niet zomaar een mens, Hij wordt de Mens.
    Hij kan dat omdat Hij van ons houdt. En beminnen doe je niet met je gevoelens, maar met je wil.
    Pilatus toont ons dat kort en goed. Hij laat Jezus door zijn soldaten helemaal aan gort slaan, met doornen kronen en een spotmantel omhangen. In die toestand zet hij Hem op het balkon voor een woedende menigte en zegt, simpelweg: ‘zie de mens.’ Daarmee laat hij ze in de beste spiegel kijken die er maar mogelijk is. In Jezus’ toegetakelde gezicht zien ze het gezicht van hun eigen sadistische wreedheid, maar zonder dat ze het in de gaten hebben staan ze tegelijk te kijken naar het gelaat van zijn door en door liefdevolle wil. Die dit alles wil omdat Hij hen bemint.
    Heeft Hij zich immers niet juist tot op dat vervloekte balkon gewaagd om hen uit deze hel op te komen halen? ‘Vergeef hen, Vader,’ zegt Hij dan ook, ‘want ze weten niet wat ze doen.
    Even terug naar de donkere tuin op de Olijfberg. Wat gebeurt daar nou eigenlijk echt? De sleutel tot het hele verhaal is, dat de naam ‘Jezus’ ‘God is Redding’ betekent. In de hof van Olijven biedt Hij, biddend in doodsangst, zichzelf aan als Offer, als Gave. Dat wordt nogal eens verkeerd begrepen. Hij offert zich niet aan een wrokkige semitische onweersgod die toevallig ook nog zijn Vader is, en die Hem sadistisch mishandelt en vermoordt omdat Hij daar een soort satanisch genoegen aan beleeft. Hij offert zichzelf als medicijn voor de wrok zelf. Zijn uitgegoten Wezen geneest de wezenloosheid zelf.
    Hij geeft zich, letterlijk met vereende krachten. Hij doet zichzelf het uiterste geweld aan. Hij dwingt ten eerste om alle aspecten van zijn ziel, van de laagste tot de hoogste, één te worden.
    De laagste, de emoties, verlangens en driften, ballen zich samen tot wat wij het ‘hart’ noemen. Dat is het dierlijke deel, het deel dat de natuur heeft gemaakt om zichzelf ten koste van alles in stand te houden. Het hangt aan het leven. Het verzet zich uit alle macht. Jezus smeekt het, dwingt het, temt het uiteindelijk.
    Zodra Hij het overmeesterd heeft, verenigt Hij het met de drie machten die zijn werkelijke zelf zijn. Als mens bestaat je eigenlijke wezen uit je grond, je bewustzijn en uiteindelijk je wil. Je wil, de kracht waarmee je liefhebt. En die wil geeft Hij weg aan de wil van de Vader.
    Dat is wat we zien gebeuren in die donkere tuin met die eenzame Verlosser.
    Goed. Tot zover Jezus in de hof van Olijven. Maar wat moet jíj daarmee? Want Jezus was stiekem God. Hij had, naast een menselijke, ook een goddelijke wil. Zoiets zou jij van jezelf niet durven beweren. Of wel soms?
    Nou, je kon jezelf nog wel eens verrassen. Aan het begin van het boek Genesis staat er, al vrij vooraan, dat God de mens schiep naar zijn Beeld en gelijkenis. En dat Beeld is diezelfde Christus waar we het net over hadden. Je bent dus wel niet Onze Lieve Heer zelf, maar je bent toch wel gemaakt om op Hem te lijken.
    Daar komt nog iets bij. We geloven dat het bestaan zelf een aspect van God is. Elk moment dat je bestaat, ontvang je dat bestaan dus uit God zelf. Bewustzijn is een ander aspect van God. Daar geldt dus hetzelfde voor. Elke milliseconde dat je wakker en aanwezig bent wordt je geschonken uit het Absolute. En je goede wil, de wil om gelukkig te zijn maar vooral ook gelukkig te maken, is nog weer een ander aspect van God. Dus ook die krijg je uit Hem.
    Je ziel ligt zo voortdurend tegen God aan en wordt door Hem aan jou gegeven. Maar wel ook écht gegeven. Om vrij over te beschikken. God neemt haar niet terug, al hoopt Hij wel dat je haar uit jezelf teruggeeft. Zodat jij en God zó innig met elkaar verenigd raken, dat je geen onderscheid meer merkt.
    Dat kan alleen als je doet wat je ten diepste wilt, en niet waar je zin in hebt. Dus niet doet waar je driften je toevallig naartoe drijven. En wat je ten diepste wil is precies die heimwee naar heilig zijn in een heilige wereld die ik daarstraks al even aanstipte. Beminnen en bemind worden.
    Dat klinkt allemaal zalig - en dat is het uiteindelijk ook - maar nu nog niet. Wat je moet leren is wat de mystieken gelatenheid noemen. Dat klinkt in moderne oren een beetje alsof je je kop moet laten hangen en onverschillig moet worden en met je moet laten sollen. Maar dat is het juist niet.
    Nogmaals: het is normaal en menselijk niet te willen lijden en sterven. Het is heel natuurlijk voor Jezus om te bidden: ‘neem dit van mij weg.’ Het is zijn lagere, natuurlijke menselijkheid die daar spreekt, en smeekt, en schreeuwt. Zijn emoties, zijn lichamelijke behoeften, zijn drift. Zelfs zijn platte, berekenende, gezonde verstand hoort daarbij.
    Zijn overgave als Hij dan even later zegt ‘niet mijn wil, maar Jouw wil,’ ontkent die menselijkheid niet. Hij neemt haar zelfs heel serieus. Maar Hij neemt haar wel mee naar waar zijn hogere zelf, zijn grond, zijn bewustzijn en zijn wil, naartoe willen. En dat is: de wil van God doen.
    Hij doet niet alsof Hij niks wil, maar legt wat Hij wil vrijwillig in de handen van de Vader.
    Juist als Hij breekt, welt er de totale vrijheid in Hem op. ‘Niet mijn wil, maar jouw Wil,’ fluistert Hij. En dan komt er een engel om Hem te troosten.
    Die ‘gelatenheid,’ zoals dat heet, is het helemaal rusten in je vertrouwen op God. En daar hoef je niet God zelf voor te wezen. Daar wachten ook op jou engelen om je te troosten.
    Ruusbroec, de grootste mystieke schrijver die we hebben, verwoordt het zo:
    “Jouw wil, niet mijn wil.” Toen Christus onze Heer zijn lijden naderde, zei Hij dat tegen zijn Vader in een nederig vernietigen van Zichzelf. En het was Hem het meest behaaglijke woord en het meest eervolle, en ons het meest heilzame, en de
    Vader het meest beminnelijke, en de duivel het meest ergerlijke woord dat Christus ooit
    sprak. Want door het wegschenken van zijn menselijke wil zijn wij gered.”
    Oefening.
    Goed, kunnen we dit ook zelf oefenen? Dat lijkt me heel goed mogelijk en ook niet zo ingewikkeld. Het hoeft ook niet onmiddellijk een doodsstrijd in de hof van Olijven te worden.
    Neem simpelweg eens een minuut of vijf om je een situatie voor de geest te halen van nog niet al te lang geleden. Een situatie waarin je ergens absoluut geen zin in had, maar het toch wilde. Niet om een verplichting van buitenaf, omdat een ander je dwingt of loopt te drammen. Nee, jij hebt er geen zin in maar jij wil het tegelijk toch.
    Er is bijvoorbeeld iemand in je omgeving die aandacht nodig heeft, maar heel eenzaam is en daardoor ratelt en enorm veel energie vraagt. Je hebt absoluut geen zin om die persoon te bellen, maar je doet het toch. Of krijg je jezelf gewoon niet zover?
    Er is dus een conflict tussen je lagere vermogens, die jouw eigen welzijn en zelfbehoud op de eerste plaats stellen, en je hogere wil die zichzelf weg wil schenken.
    Er wordt iemand op je werk of op school getreiterd. Dat gaat je aan het hart, maar als je ingrijpt maak je jezelf sociaal kwetsbaar. Je hebt absoluut geen zin om het conflict aan te gaan, maar als je eerlijk kijkt naar wat je eigenlijk écht wilt kom je erbij uit dat je het waarschijnlijk toch moet doen.
    Precies hetzelfde.
    Goed, verplaats je nu even grondig terug in de herinnering aan de situatie die je hiervoor hebt uitgekozen. Niet een van mijn voorbeelden, maar een innerlijk conflict dat je zelf hebt meegemaakt. Je had er geen zin in, maar je wilde het toch. Haal het je helemaal voor de geest en leg het nu langs het schema dat ik je nu ga beschrijven.
    Dat wat in jou je eerste afkeer veroorzaakt van wat je eigenlijk moet doen, en eigenlijk ook wilt doen, zijn je emoties. Dat zijn roerselen in je gemoed die worden geroerd door je lagere vermogens. Dat zijn je begeerte, je ratio en je drift. Je ratio is, even voor de duidelijkheid, niet je echte intellect, maar meer je berekenende boerenslimheid. Die drie zijn totaal dierlijk en uit zichzelf alleen geïnteresseerd in het handhaven, voortplanten en welbehagen van jou als lichamelijk wezen. Ze zijn wel tot meer in staat, maar niet uit zichzelf. En nu, in deze situatie werken ze je tegen. Ze stuwen je naar zelfzuchtig gedrag dat je in deze situatie misselijk vindt. Je wil wat anders.
    Gelukkig ben je niet willoos aan je emoties en je lagere vermogens overgeleverd. Want je hebt ook nog drie hogere vermogens. Je geheugen, je verstand en je wil.
    En heel dat lagere spul dat je nu zo’n overlast bezorgt hangt in feite aan die hogere vermogens. Stel het je maar voor als een soort marionettentheater met drie verdiepingen. Je emoties hangen aan je lagere krachten, begeerte, ratio en drift. Die hangen weer aan je hogere krachten: geheugen, verstand en wil.
    Wat je nu gaat doen is die touwtjes aantrekken en het hele theater samenballen in je hogere krachten. Eerst trek je je emoties aan zodat je goed beseft dat ze samenvallen met je dierlijke krachten. Ze lijken wel heel belangrijk en wereldschokkend, maar het zijn gewoon de impulsen van je zelfbehoud. Het zijn de prikkels waarmee je lagere krachten je aanzetten tot vechten, vluchten, vreten, zuipen, neuken.
    Goed. Nu je ziet hoe het werkt is het misschien een ietsje makkelijker ze gewoon eventjes te laten razen zonder dat je je door ze mee laat sleuren. Misschien ook wel niet onmiddellijk. Het vergt oefening en geduld, zoals alles in dit leven.
    Wat je nu gaat doen is dat hele kolkende en razende soepje van die emoties en die lagere krachten binnentrekken in je hogere vermogens. De begeerte met al het lekkers waar het naartoe stuwt trek je in het geheugen. De ratio met al zijn dubbele agenda’s in het intellect. De drift met zijn agressie en achterdocht in de wil.
    Nou wil het dat die drie hogere krachten op de Personen van de goddelijke Drievuldigheid lijken. Je geheugen op de Vader, je intellect op de Zoon en je wil op de Heilige Geest. Je bent immers geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Je bent dus drie, net als Hij. Maar je bent ook één, net als Hij. Het stiekeme geheimpje van het leven is dat je in het diepste gaatje van je ziel voortdurend door Gods scheppende plezier aan jezelf geschonken wordt.
    Zodra je nu heel dat poppentheater in jezelf hebt opgehesen en samengebald blijft eigenlijk alleen je wil over. Niet toevallig is dat ook de kracht waarmee je liefhebt.
    Mocht het je nou lukken die wil vol vertrouwen in de handen van de goede God te laten, dan ben je in een warm nestje gevallen waar je getroost wordt door engelen.


    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
  • Geruis Uit De Kluis

    Het hart van het Jaar

    26-03-2026 | 6 Min.
    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
  • Geruis Uit De Kluis

    Homilie Pater Hugo Maria Boodschap 2026

    25-03-2026 | 9 Min.
    Dit is de preek van een Hoogfeest door de week. Die krijgen alle volgers sowieso. Zou je ook graag alle zondagspreken van Pater Hugo willen krijgen? Neem dan een betaald abonnementje op zijn Substack! Daar zitten trouwens nog veel meer extraatjes bij, en bovendien steun je zo deze unieke stem in katholiek Nederland!
    Of als je graag op zijn Nederlands wilt betalen:
    * Maandabonnement met iDeal of Bancontact
    * Jaarabonnement met iDeal of Bancontact


    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
  • Geruis Uit De Kluis

    De Sluier in de Duisternis

    21-03-2026 | 17 Min.
    Wat is dit in godsnaam? Vanaf de vijfde zondag van de vasten verandert de kerk van een sacrale santenkraam in een godgewijd spookhuis. Een paarse grauwsluier breidt zich als een schimmel uit over alle kruizen en heiligen. God verliest zijn gezicht.
    Waarom bedekken wij de laatste twee weken de beelden in de kerk met paarse doeken? Ik leg het je uit in deze video. Aan het einde zal ik ook nog een concrete oefening meegeven die ermee te maken heeft, en die je kunt opnemen in je gebedsmoment of meditatie.
    (intro)
    Waarom sluieren wij de beelden? Wij hebben dit gebruik al sinds de vroege middeleeuwen, maar niet veel mensen begrijpen het echt goed. Dat het bedoeld is om de feestelijkheid te dempen en zo ruimte te scheppen voor rouw en boete is wel duidelijk.
    Maar waarom bedekken we dan zelfs de kruizen? Juist in de weken dat wij ons intensief met Jezus’ lijden proberen te verenigen verbergen wij de afbeeldingen die ons daar het meest aan doen denken.
    Niet alleen alles wat blij en feestelijk maakt verdwijnt, maar ook alles wat je op het eerste gezicht juist zou kunnen helpen het lijden van Jezus te beleven. Waarom?
    Het antwoord zal sommigen van jullie wel verbazen. Omdat sommige dingen nou eenmaal pas echt zichtbaar worden als je ze verbergt. Juist het meest wezenlijke valt nogal eens pas op als je het wegneemt. Er een doekje over gooit. Zo leer je jezelf om op een andere manier te gaan kijken en luisteren.
    Het is niet zo vreemd als het lijkt: denk bijvoorbeeld maar eens aan hele constante, bescheiden geluiden. Het lage brommen van een koelkast of het zachte blazen van een ventilator. Die hoor je eigenlijk pas als ze plotseling wegvallen. Ze vallen pas op als je ze uitzet. Wat stil is het dan ineens!
    Net zoiets is er aan de hand met de voortdurende, dragende aanwezigheid van God in zijn heiligdommen. Om die eventjes écht op te merken schakelen we de meest zichtbare tekens ervan even uit.
    Als je echt wil snappen waar de Kerk in deze tijd mee bezig is zul je moeten luisteren naar de stem van de grote mystieken. Meer dan wie ook hebben juist zij zich geoefend in het laten zien van het onzienlijke en het onthullen van het verborgene.
    Het beste beginnen we dan in dit geval bij een geheimzinnige figuur uit ongeveer de vijfde eeuw. Eigenlijk was hij een bedrieger, want hij gaf zich uit voor een figurant uit de Bijbel, Dionysius de Areopagiet, waarschijnlijk om zijn geschriften meer gezag te verlenen.
    De vraag is of dat nou nodig was, want de inhoud van de geschriften die we nog van hem hebben is ontzagwekkend en volledig serieus te nemen. Dat weten we omdat ze in ons eigen leven direct ervaarbaar zijn. We kunnen het helemaal zelf controleren. We kunnen er in feite zelfs helemaal niet omheen.
    Iedereen met een serieus innerlijk leven loopt te worstelen met het verwoorden en zelfs maar onthouden van wat hij beleeft als hij God benadert. Het is alsof een soort statische ruis die tegelijk bliksemend en pikdonker is zowel je geheugen als je taalgevoel in de war stuurt. Dionysius beschrijft het als volgt:
    “Drievoudigheid, leid ons langs de rechte weg naar de hoogste top van de mystieke woorden. Boven het onkenbare en boven het licht waar de enkelvoudige, van niets afhankelijke en onveranderlijke mysteriën van het goddelijke Woord in gehuld gaan. In de verblindende duisternis van het zwijgen dat in mysteriën verborgen is. Waar zij in het diepste duister het meest meer dan stralend en meer lichtend zijn. En waar zij in het volstrekt ontastbare en onzichtbare de ogenloze denkkrachten doen overvloeien van overschone lichtglans.”
    Dat zijn een hoop paradoxen op een hoop. Verblindende duisternis, stralend en lichtend diepste duister enzovoort. Toch brengen die evengoed een glasheldere boodschap over: om God te kunnen ontmoeten, om daar überhaupt ruimte voor te scheppen, zul je je normale manier van waarnemen en vooral ook inschatten en oordelen en streven moeten opschorten.
    De wilde - maar ook heel knappe - Duitse mysticus Eckhart verwoordt het zo: wie ruimte wil maken voor God moet niks willen, niks weten en niks hebben.
    Misschien ken je het wel: plotseling is er zo’n geheiligd moment dat het bidden niet alleen werkelijk lukt, maar dat je ook erváárt dat het lukt. Moeiteloos ben je je bewust van de tegenwoordigheid van God, en daarin ben je met Hem samen. Je koestert je in de troost van zijn aanwezigheid.
    Maar dan begint je wil zich te bewegen. Een beetje zoals een kat die niet op schoot wil blijven liggen omdat hij plotseling iets heeft gehoord of heeft geroken. “Ik wil...” komt er in je op. “ik wil...” en onmiddellijk valt je bewustzijn uit de ervaring van de tegenwoordigheid van God.
    Het gaat er niet om of je wil goed of verkeerd was. Het maakt niet uit of je wil goed was of niet. Of je nou net zat te willen te willen wat God wil, of zat te willen meer op Jezus te lijken of zat te willen meer vervuld te worden van de Heilige Geest. Het bewegen van je wil alleen was genoeg om je plotseling weer alleen te voelen. Je wil, hoe goed ook, is een middel geworden tussen jou en God, iets wat tussen jullie in zit.
    Nog sterker geldt dat voor weten. Stel je voor: je ligt te badderen in Gods licht en denkt onwillekeurig: ‘wat heerlijk!’ Boem! Ineens lijkt het wel alsof het licht van God zelf zijn glans heeft verloren. Het heeft, zonder dat je het in de gaten had, ergens onderweg de gedaante van een grijze regendag aangenomen.
    Dat komt omdat je het hebt zitten weten. Je hebt je een oordeel gevormd en in plaats van het licht van God zelf word je nu door het licht van je oordeel beschenen. En dat is een héél ander verhaal. Het maakt niet uit dat je oordeel helemaal positief was. Het is een middel, een beeld geworden tussen jou en God, iets wat bemiddelt. Het maakt de relatie tussen jullie twee onrechtstreeks.
    Hebben is een nog radicalere werkelijkheid. Alles wat je hebt is niet God en neemt ruimte in beslag die God niet kan opvullen. Eckhart is heel radicaal in dit opzicht: Zelfs als je juist alleen nog ruimte hebt voor God heb je nog te veel. Het ideaal is zelfs geen ruimte meer te hebben, ook al is het dan voor God. Laat Hem in jou maar in zijn eigen ruimte werken. Laat Hem in jou in Zichzelf werken.
    Dit klinkt bijna flauw, maar als je even kijkt naar hoe Eckhart zijn betoog opbouwt snap je wel waarom hij zelfs die stap nog nodig vindt. Onwillekeurig zijn er, hoe abstract hij ook te werk is gegaan, toch weer beelden ontstaan. Beelden van jou als poppetje, of als ziel - waar je je dan ook weer een beeld van vormt - waarin dan weer het beeld van een ruimte verschijnt. En die beelden zitten in de weg.
    Wie God wil vinden moet zich hulpeloos in Hem durven verliezen. Het is uiteindelijk een kwestie van vertrouwen.
    Laatst zat ik in een praatprogramma en op een gegeven moment ging het over het verschil tussen de authentieke, klassieke manier om de Mis op te dragen en de liturgie die tegenwoordig meestal wordt gebruikt. Die is opgesteld door een commissie in de jaren zestig.
    Dat onderwerp ligt nogal gevoelig, en ik ging misschien een beetje over de schreef. De presentator vroeg mij waarmee ik dat nieuwe ritueel zou willen vergelijken, en spontaan zei ik: ‘Duplo.’ Daarmee wekte ik natuurlijk onbedoeld de indruk dat ik de moderne Mis maar een kleuterspelletje vond, wat echt wel horkerig zou zijn geweest. Veel mensen houden er immers oprecht van, vooral ouderen.
    Ik bedoelde natuurlijk dat de moderne Mis uit blokken bestaat waaruit je kunt kiezen en die op allerlei manieren op elkaar passen. ‘En waar zou je de oude Mis dan mee vergelijken?’ zei de presentator op licht kritische toon. ‘Een bos,’ zei ik onmiddellijk. ‘Ah,’ zei hij. ‘Maar in een bos kan je ook verdwalen.’
    Ik had daar achteraf anders op hebben willen reageren. Wat ik zei was weliswaar niet verkeerd of onoprecht, maar er lag een heel verhelderende waarheid voor het oprapen die ik op dat moment gewoon even miste.
    Ik had moeten zeggen: ‘inderdaad, kun je in een bos verdwalen, en zo hoort het ook.’ God is niet ongevaarlijk. God is niet zonder risico. Als je je aan God toevertrouwt neem je op de koop toe dat je je ook aan Hem zou kunnen verwonden. Je zou zelfs aan Hem kunnen sterven. Je vertrouwt erop dat dat niet zal gebeuren omdat je Hem vertrouwt, maar garanties zijn er niet.
    In ieder geval zal je in Hem moeten verdwalen. Wie wil groeien in God kan dat niet door zelf de touwtjes in handen te houden. Zelf zijn koers te bepalen en zijn eigen oriëntatie te volgen. Volwassen worden in dit opzicht betekent vreemd genoeg steeds onzelfstandiger worden.
    Denk maar aan wat Jezus tegen de heilige Petrus zegt in het Johannesevangelie: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: toen je jong was, deed je zelf je gordel om en ging waarheen je wilde, maar als je oud bent, zul je je handen uitstrekken, een ander zal je omgorden en je brengen waarheen je niet wilt.’
    Toegepast op ons betekent dat inderdaad, met Eckhart, niks willen, niks weten, niks hebben.
    Het Evangelie voegt er nog aan toe dat Jezus met deze woorden doelde op de dood waarmee Petrus God zou verheerlijken. Niet zomaar de dood die hij zou sterven, nee: de dood waarmee hij God zou verheerlijken.
    Zelfs dat kunnen we toepassen op wat er van onze ziel wordt gevraagd als wij God willen ontmoeten. Weliswaar geloven wij christenen niet dat wij in God oplossen of vernietigd worden. In die zin moet je ‘dood’ hier figuurlijk lezen, niet letterlijk. Maar dan kun je verder toch wel zeggen dat, als wij zo met God in harmonie beginnen te klinken dat er tussen Hem en ons geen onderscheid meer te ervaren valt, je dat toch wel een vorm van sterven kunt noemen.
    ‘Om Hem te verheerlijken,’ schrijft Johannes. Dat is een ander woord voor beminnen, in dit geval. God beminnen met heel je hart, je verstand en al je krachten. Maar in Hem durven te verdwalen is wel het minste wat wij kunnen doen.
    Jan van Ruusbroec, de grootste mystieke schrijver aller tijden, verwoordt het als volgt:
    “Hij moet zichzelf verloren hebben in een onmiddellijkheid en in een duisternis waarin alle schouwende mensen genietend verdwaald zijn. Zo dat hij zichzelf als schepsel nooit meer zou kunnen terugvinden. In de afgrond van die duisternissen, waarin de minnende ziel aan zichzelf gestorven is, daar begint de openbaring van God en het eeuwige leven.
    In die duisternissen schijnt en wordt geboren een onbegrijpelijk licht dat maakt dat je het eeuwig leven kunt zien. Dat licht is de Zoon van God.”
    En daarom versluieren wij in de laatste twee weken voor Pasen, het scharnier van de tijd, onze beelden. Niet zien. Niet weten. Niet hebben.
    Goed. Kunnen we dat zelf ook oefenen? Dat denk ik absoluut, en ook nog eens op een hele simpele manier. Begin in de laatste twee weken voor Pasen eens wat tijd vrij te maken om God simpelweg te laten zijn wie Hij is.
    Dat hoeft niet gelijk een uur te zijn: vijf of tien minuten is ook al wat. Neem in dat moment zoveel mogelijk afstand van je vertrouwde beeld van God. Ga niet voor een icoon of een kruisbeeld zitten. Gebruik niet de vertrouwde gebeden. Geen rozenkrans, geen Onze Vader, geen eer aan de Vader en geen Heilige Michaël verdedig ons in de strijd. Niks van dat alles. En ook niks anders, trouwens. Blijf gewoon in de leegte zitten wachten.
    Wat er nu waarschijnlijk zal gaan gebeuren is dat er een zwerm van beelden in je opkomt. Misschien van God, misschien ook wel gewoon van je dagelijkse leven, de taken die op je liggen te wachten, herinneringen die je misschien hebt. Duw die niet met geweld weg, maar houd ze ook niet vast. Ga er niet binnen.
    Keer je in plaats daarvan terug naar de leegte. Als je dat echt heel moeilijk vindt zou je kunnen overwegen eens actief te luisteren naar de stilte die op de achtergrond van waar je bent altijd wel ergens klinkt.
    Als het goed is zou je in de eerste tijd dat je dit zo doet een gemis moeten voelen. De grap is nu dat die pijnlijke afwezigheid stiekem helemaal niet de leegte is, maar je eigen gehechtheid aan de beelden die je nu aan het loslaten bent.
    Als je dit wat langer volhoudt is er een grote kans dat je de leegte die je voelt op een gegeven moment gaat ervaren als ruimte. Ruimte waarin van alles mogelijk is. Ruimte waarin je zalig zou kunnen verdwalen...
    Een bijkomend voordeel is dat het goed zou kunnen dat als met Pasen de beelden weer worden onthuld, ze voor jou zullen aanvoelen als nieuw en opnieuw inspirerend op een andere manier. Zo kan het afwisselen van verbeelding en ontbeelding een echte motor worden voor zowel je creativiteit als je spirituele leven.
    Ok, genoeg geleuterd. Ga en leef!


    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
  • Geruis Uit De Kluis

    Is Stilte gevaarlijker dan Porno?

    14-03-2026 | 25 Min.
    Porno is tegenwoordig overal en nergens aanwezig en bereikbaar, en taboes zijn er niet veel meer over. Laatst was iemand zo vriendelijk mij te confronteren met een afbeelding in Japanse tekenfilmstijl van iemand die zich aan alle *** Ik wist in eerste instantie letterlijk niet wat ik zag op dat plaatje. ‘Hou ik het wel rechtop?’ vroeg ik mij zelfs even af.
    Zoals mijn kat er automatisch kwijlend aan komt rennen als ik een blikje opentrek, ook al zitten er in feite geen sardientjes maar halve perziken in - zo schopt alleen al de simpele suggestie van gesop in een warm vochtig holletje bij mensen onmiddellijk de hormoonhuishouding in de knoop.
    Natuurlijk is dat effect niet oneindig. Stel dat ik de godganselijke dag blikken met perziken open zou staan te trekken. Stel dat ik alleen nog maar perzik uit blik zou vreten. Dan zou het snel voorbij zijn met de warme interesse van mijn kat. Als je maar vaak genoeg loopt te kwijlen zonder dat je daarna ook werkelijk een sardientje krijgt, is de lol eraf. Er zijn dan steeds sterkere suggesties nodig om de sappen te laten stromen.
    Over hoe dit bij mensen werkt is al zat geschreven en gezegd, het komt erop neer dat, als je maar genoeg op een rare manier loopt te zieken met je prikkel- en beloningssysteem, je je uiteindelijk zelfs niet meer bevredigd voelt als je écht dat sardientje krijgt. En dan wanhopig op zoek gaat naar steeds vreemdere, en vaak ook agressievere vormen van prikkeling.
    Zoals die octopus. Mensen die alleen nog opgewonden raken van volwassenen in luiers of transmannen met geblondeerd haar en een staart of oma’s met een onderbroek op de kop. Of zelfs alleen nog van boze en liefdeloze dingen. Super-specifieke prikkels. Oorverdovende stimulering van nou net dat ene specifieke puntje dat in jouw dierlijke zelf nou toevallig het meest gevoelig is.
    Stimulering die zelfs niet meer verwijst naar iets dat in de werkelijkheid bestaat en waarnaar je zou kunnen verlangen. Op dat moment is je seksualiteit letterlijk wezenloos geworden. Om de leegte te ontvluchten vlucht je juist de leegte in.
    Normaliter zou je als mens erop moeten kunnen vertrouwen dat de spirituele traditie die je van je voorouders hebt meegekregen de weg kan wijzen bij dit soort dilemma’s. Maar het christendom heeft de laatste vierhonderd jaar of zo op dit terrein een beetje mal gedaan.
    Om antwoorden te kunnen geven moet je immers vragen kunnen stellen. Moet het onderwerp bespreekbaar zijn. En dat was het een hele tijd niet, en op dit moment dreigt het wéér de verkeerde kant op te gaan.
    Aan de middeleeuwen ligt het niet, even voor de duidelijkheid. Ik zeg het maar even omdat de middeleeuwen vaak de schuld krijgen. ‘Middeleeuwse toestanden,’ zeggen we dan. Maar de middeleeuwen waren op dit punt eigenlijk best ontspannen. Toen werden er op het marktplein zonder enige vorm van gêne toneelstukjes opgevoerd die ‘boerden’ werden genoemd. In feite waren dat vieze moppen in theatervorm. Er waren wel eens pastoors die zich erover opwonden, maar meestal stonden ze er met de rest van het volk om te lachen. En dat terwijl er niet zelden priesters en nonnen in werden opgevoerd.
    Juist dat die stukjes grappig werden gevonden bewijst al wel dat er ook toen best spanning rond het onderwerp hing. Zonder enig taboe zijn vieze moppen namelijk gewoon niet lollig. Maar dat er wel gewoon - en in het openbaar - ruimte voor was bewijst wel dat die spanning ook kon worden gerelativeerd.
    Natuurlijk werd er ook toen grote waarde gehecht aan zuiverheid, maar er werd ook met een nuchtere blik naar gekeken. Als in de middeleeuwse traktaten die ik dagelijks onder ogen krijg over wordt gesproken is het helder wat het theoretische ideaal is. Seksualiteit hoort bij het huwelijk, bij het trouw zijn aan elkaar en definitief voor elkaar kiezen. Dat ideaal is heel hoogverheven en men doet geen water bij de wijn.
    Maar nergens krijg je de indruk dat men door een soort zuiverheidsdrift geobsedeerd is. Dat heel de morele waarde van een mens alleen daaraan wordt afgemeten. De mens moet in het algemeen zijn best doen zijn lagere vermogens, zijn drift en zijn verlangens, in toom te houden. En het seksuele verlangen is daarvan zeker een van de sterkste en ook vaak nogal onberekenbaar.
    Maar in de middeleeuwen kon men redelijk open en creatief over seksualiteit praten en schrijven, ook over de meer ongrijpbare en wilde kant ervan. Denk aan de cultuur van de hoofse liefde, een complete gefantaseerde werkelijkheid die draaide om buitenechtelijke verhoudingen tussen adellijke dromers en andermans vrouwen. Onze eigen Hadewijch zag er zelfs geen probleem in de taal daarvan te lenen om er haar verlangen naar God mee te beschrijven. Sowieso was erotische taal heel gebruikelijk om mystieke godsontmoetingen mee te beschrijven. En dan niet terughoudend of vaag - luister bijvoorbeeld eens naar sinte Mechtild van Maagdenburg:
    ‘Hoe luider zij roept, hoe groter de wonderen die zij werkt door haar macht. Hoe meer zijn lust toeneemt, hoe mooier haar bruiloft wordt. Hoe smaller het bed, hoe inniger de omhelzing.’ Ze heeft het over God en de ziel, even voor de helderheid.
    Als je dat zo leest snap je niet hoe er ooit een cultuur heeft kunnen ontstaan van het obsessief verkrampen bij alles wat met seks te maken heeft. Toch vlamt die neiging al sinds de late oudheid af en toe in de Kerk op.
    De Bijbel is er niet echt schuldig aan. Die roept wel af en toe dat je geen ontucht moet bedrijven, maar niet op een manier die de indruk wekt dat er verder niks bestaat op de wereld. Het probleem begon bij hoe een paar belangrijke kerkvaders het gedachtengoed van de heidense stoïcijnen in de christelijke theologie verwerkten.
    De stoïcijnse filosofie leerde dat er in heel de natuur een logica, de Logos, zit die bij hen een normatieve, eigenlijk goddelijke status heeft. Die Logos zaait zich uit in de werkelijkheid zodat alles op aarde een welbepaalde telos, een bedoeling heeft. Ook de mens heeft zo’n logos spermatikos, een zaadje van de rede. Dat is voor de stoïcijnen zelfs zijn meest wezenlijke zelf. Maar ook elk orgaan en elke handeling heeft een welbepaald doel. Dat doel kun je door logisch nadenken en zorgvuldige observatie ontdekken, en vanaf dan heb je ook de heilige plicht dat doel na te streven. Een goed moreel leven is, volgens de stoïcijnen, een leven kata logon, volgens de logos.
    Wie van bijvoorbeeld zijn geslachtsorganen de bedoelingen heeft beredeneerd - namelijk voorplanting - en die dan toch gebruikt met een ander doel dan waarvoor ze zijn - bijvoorbeeld om er plezier mee te beleven - handelt tegen de logos.
    Deze voorchristelijke filosofie werd in de christelijke theologie met nog een paar andere gecombineerd en daarna gecanoniseerd, heilig. Een combinatie van deze stoïcijnse logos en de iets andere invulling van datzelfde begrip door de neoplatonisten werd in de Kerk zelfs uiteindelijk gebruikt om de tweede Persoon van de Drievuldigheid beter mee te kunnen begrijpen. Jezus zelf, dus. Denk maar aan de beroemde proloog van het Evangelie van Johannes waar elke Mis mee wordt afgesloten: καὶ ὁ λόγος σὰρξ ἐγένετο, en het woord is vlees geworden. Jezus zelf was de goddelijke Logica die alles in de schepping zijn vorm en doel had gegeven.
    Dat klinkt heel veelbelovend - en in de mystieke traditie werkt het ook prachtig uit, zoals Mechtild en Hadewijch laten zien. Maar er schuilt ook een gevaar in: de stoïcijnse doelmatigheidslogica kon seksualiteit reduceren tot louter voorplanting, en elke andere betekenis ervan wegsnijden. En precies dat is wat er in de loop van de eeuwen is gebeurd - met bovendien de paradoxale bijwerking dat het onderwerp tegelijk onbespreekbaar werd. Maar laat ik die draad even vasthouden en eerst de historische lijn afmaken.
    Iemand die in dit proces een hoofdrol speelde was de heilige Augustinus. Die had een uiterst moeizame persoonlijke verhouding met seks en dat is af en toe goed te merken aan zijn werk. Dat werk is in het westerse christendom absurd invloedrijk geweest op werkelijk alle theologische terreinen. Til een in de kerk een tegel op en er wriggelen geen pissebedden onder maar ideeën van Augustinus. Soms ten goede, hoor, maar niet altijd.
    Hij zag de menselijke begeerte als kern van de erfzonde, dus van de slechtheid van de mens. Nou was begeerte wel breder dan alleen seksuele lust, maar daar lag toch wel het accent op, ook al omdat Augustinus daar zelf enorm mee worstelde.
    Veel extremer nog was de heilige Hiëronymus, die trouwens sowieso het moeilijkste karakter van de hele oudheid had. Zijn traktaat tegen de monnik Jovianus is berucht. Jovianus beweerde dat het huwelijk en de maagdelijke staat gelijkwaardig waren. Dat paste Hiëronymus niet, en hij reageerde, zoals vaak, weer eens hysterisch. Hij pompte in zijn pamflet de maagdelijkheid enorm op ten koste van het huwelijk. Trouwen was alleen voor sukkels die hun lusten niet konden beheersen. Maar zelfs binnen het huwelijk vond Hiëronymus seks in feite nog zondig, in ieder geval goede seks. Zelfs als je je eigen man of vrouw hartstochtelijk beminde pleegde je volgens hem al overspel. Dat was zelfs Augustinus veel te gortig. Hij nam er uitdrukkelijk afstand van.
    De oorzaak van dit alles zal ook in Hiëronymus’ geval wel persoonlijke frustratie geweest zijn: hij schreef in een van zijn brieven dat hij voortdurend werd overvallen door beelden van aantrekkelijke jonge meisjes.
    Nou roepen veel mensen dat dit soort onvolwassen gezeur altijd al de boventoon heeft gevoerd in het denken van de Kerk over seks. Ik hoop dat ik al voldoende duidelijk heb gemaakt met wat ik over de middeleeuwen heb gezegd dat dat flauwekul is. Het was meer zoiets als een van die virussen waar je niet meer afkomt, maar die alleen van tijd tot tijd opvlammen en symptomen veroorzaken. Herpes of zo, om maar even in de sfeer te blijven.
    Nou komen we op dit moment wel net uit één van die uitbraakperioden, en die heeft lang geduurd en dus ook, toen ze eenmaal voorbij was, een hele heftige reactie uitgelokt. Geen wonder dat de mensen het christendom op dit punt niet meer serieus nemen.
    Hoe kon dit zo gebeuren? Na de hoogste bloei van de mystiek, in de veertiende eeuw, ontstond er een wat chagrijnige beweging die de ‘moderne devotie’ werd genoemd. Bij het nadenken over het geestelijke leven verschoof het accent van de extatische liefde voor God naar deugdzame en vooral ook boetvaardige bravigheid.
    Even later werd West-Europa getroffen door de op een na grootste ramp die ooit op theologisch terrein is vertoond: de reformatie. Die beweerde alleen de Bijbel nog serieus te nemen als bron over de kennis van God: sola scriptura. Maar dat was in de praktijk niet waar. Dat kon ook helemaal niet, want de Bijbel is te onsamenhangend om een sluitend religieus verhaal op te baseren. In feite was het niet de Heilige Schrift, maar een deel van de theologie van Augustinus die door de protestanten werd verabsoluteerd, en dan ook nog eens in het bijzonder de pessimistische Augustinus van zijn laatste jaren. De mens was na de zondeval alleen nog maar slecht. Zijn wil was niet alleen maar verzwakt, maar geketend en volkomen hulpeloos. Alleen Gods genade kan nog redden, maar die zal in de praktijk zuinig zijn. De massa van de mensen is verdoemd, en daarvoor heeft God ze ook vanaf het begin geschapen. Alleen zo kan aan zijn beledigde majesteit recht worden gedaan. Heel gezellig, allemaal.
    Theoretisch beoordeelden de protestanten seksualiteit dan wel weer iets positiever dan de katholieke traditie altijd had gedaan. In ieder geval kenden zij geen celibataire geestelijken, omdat levenslange maagdelijkheid als offer bij hen geen betekenis had. Toch ontwikkelde zich juist bij hen de mentaliteit die we tegenwoordig met een ongezonde christelijke moraal associëren: een soort kleurloze anti-creativiteit waarin elke vorm van plezier verboden is.
    Ondanks dat zij geen deel meer uitmaakten van de Kerk kregen de protestanten toch al snel een grote invloed op het katholicisme, al was het maar door de reactie van de katholieken op de reformatie, de contrareformatie. Er ontstond tussen de protestanten en de katholieken een wedstrijdje in wie het meest deugdzaam was. Natuurlijk waren de katholieken sowieso veel te slordig om dat gevecht te winnen, maar ze probeerden het toch. Het resultaat daarvan was eerder treurig.
    Omdat de reformatie mede was uitgebroken door het ongeloofwaardige gedrag van de katholieke geestelijken - onder andere op het gebied van de seksualiteit - werden die in het vervolg extra grondig gedrild. Daarvoor werd een geheel nieuw type instituut uitgevonden: het grootseminarie. Daar werd voortaan intensief aan seksuele vorming gedaan. Dat gebeurde aan de hand van biechtvadersreglementen waarin en detail stond uitgespeld wat er op seksueel terrein zoal verkeerd kon gaan, en wat daar de consequentie van moest zijn.
    De Franse filosoof Michel Foucault heeft in 1976 uitgebreid over die cultuur geschreven in het eerste deel van zijn seksualiteitsgeschiedenis, ‘La volonté de savoir.’ Hij signaleert daarin, terecht denk ik, dat men nogal eens verzandde in het produceren van seksuele fascinatie in naam van het bestrijden ervan. Om zonden te kunnen beoordelen moesten ze eerst worden omschreven en dat leidde al snel tot een steeds fijmazigere taxonomie van seksuele handelingen. Met een mate van detail die in elke andere context als obsceen beschouwd zou worden, kunnen we wel stellen.
    Om greep te krijgen op het fenomeen ging men uitgebreid beschrijven, classificeren en bevragen wat er zoal tussen opgewonden mensen mogelijk was. Dat op die manier een obsessieve overaccentuering van al het seksuele werd veroorzaakt werd duidelijk over het hoofd gezien. Ook omdat die boeken in de praktijk ook nog eens functioneerden in huizen vol opgeschoten knapen op de piek van hun hormonale driften. Ik geef het je te doen om affectief volwassen te worden als je op negentienjarige leeftijd toch al vol stuwende sappen zit en dan ook nog met de regelmaat van de klok idiote juridische puzzeltjes over seks op moet lossen.
    Nou is Foucault trouwens niet de meest objectieve wetenschapper als het om het beoordelen van de katholieke Kerk gaat, maar ik denk dat hij in dit geval de spijker op zijn kop slaat. Zelf heb ik het dieptepunt van dit alles niet meer meegemaakt, maar het residu ervan is nog altijd niet opgeruimd. En komen we daar überhaupt wel aan toe?
    Want het overdreven liberalisme van de tweede helft van de twintigste eeuw - dat van het gefantaseer over seks met octopussen en gummi konijnen - is alweer bezig een reactie bij de volgende generatie op te roepen. Dat is prima als dat leidt tot het weer serieus nemen van seks als een tedere en kostbare vorm van communicatie tussen mensen die elkaar en het wonder van het leven en de schepping vieren. Maar niet als het ons met een U-turn terugbrengt naar de griezelige biechtvadershandboeken.
    Als ik zeg dat stilte gevaarlijker is dan porno bedoel ik dat in meer dan één betekenis. Wat er in feite misgegaan is bij de kerkelijke omgang met seksualiteit, is dat die tegelijk gedemystificeerd én onbespreekbaar gemaakt is. Een Paradox met een vette hoofdletter ‘P.’
    Gedemystificeerd, daar begin ik even mee. Zoals ik daarnet al heb uitgelegd toen ik het had over het stoïcijnse gedachtengoed in de Kerk werd daar tot voor kort over seksualiteit gesproken als louter en alleen voor de voorplanting bestemd. Alles wat er verder aan gevoel bijkwam werd als onnodig en zelfs gevaarlijk gedoe beschouwd. Tijdens de laatmiddeleeuwse scholastiek, die toch al extreem droog-technisch tegen de werkelijkheid aankeek, was dat nog eens verabsoluteerd, en de negentiende-eeuwse neoscholastiek verabsoluteerde de verabsolutering nog eens.
    Men was duidelijk even vergeten dat oprechte tederheid tussen mensen een intense vorm van communicatie is. Je drukt je uit als persoon en schenkt je tegelijk in vol vertrouwen aan een ander en nodigt die ander uit zich ook weer vol vertrouwen aan jou te geven. ‘Bij mij mag je je grenzen laten vallen en zonder enige reserve jezelf zijn’ zeg je tegen elkaar.
    Die houding is trouwens prima te verenigen met het kerkelijke denken, stoïcijnse regeltjes en al. Als mensen gemeenschap met elkaar hebben zoals het bedoeld is, is dat een diep spiritueel gebeuren dat vol is van het mysterie van het bestaan, dus van Gods creatieve vermogen dat wij gewend zijn ‘het Woord’ te noemen. Het Woord dat alles zijn essentie, zijn vorm geeft. Geen wonder dat er nieuw leven uit opspringt.
    Het is juist de schoonheid en de eerlijkheid hiervan die ons hier tot voorzichtigheid dwingt, niet duisternis of onreinheid of zoiets. Probeer je die schoonheid los te maken van de waarheid die erbij hoort - die te consumeren - dan ontstaat er geen zwijgen, maar trauma. Misverstand. Leugen. Vertwijfeling.
    Dat is toch een ander soort gevaar dan het gebruiken van een technische handeling voor iets waarvoor die oorspronkelijk niet bedoeld was. Dat klinkt meer als een ongeoorloofd gebruik dat de fabrieksgarantie laat vervallen of zoiets. En zelfs als dat in de strengste bewoordingen wordt gecommuniceerd is dat toch nét een minder hoge drempel dan het schenden van het mysterie van het leven zelf.
    Natuurlijk weet iedereen dat geen enkele seksuele relatie samenvalt met de hoogverheven idealen van mystieke traktaten, laat staan voortdurend en elke keer. Zoals alles hier op aarde is het soms een armzalig ploeteren. Maar om er nou zonder enige warmte over te spreken als over een biologische kopieermethode is weer wat anders. En als de Kerk dat dan ook consequent doet - seks zakelijk maken, van de boom een juridische handeling - moet ze niet raar opkijken als de mensen ook de vrucht als zodanig gaan beschouwen. Ook het probleem van het seksuele misbruik in de Kerk kan onmogelijk los worden gezien van de idiote handboekentheologie op dit terrein.
    Tot zover de demystificatie: het verwijderen van God uit de seksualiteit door de Kerk zelf.
    Maar hoe laat zich dat rijmen met dat het onderwerp tegelijk onbespreekbaar werd?
    Je zou denken dat als seks geen ontzagwekkende heilige betekenis meer had, er dan verder ook nuchter over gesproken zou moeten kunnen worden. Maar in plaats daarvan kregen we preutsheid in plaats van zuiverheid.
    Als seks een transactie is zouden de ondeugende toneelstukjes op het marktplein en erotisch getinte mystieke teksten uit de middeleeuwen geen enkel probleem meer mogen zijn, toch? Maar in plaats daarvan werd seks vanaf de zeventiende eeuw steeds griezeliger gemaakt tot uiteindelijk in de negentiende zelfs blote enkels al een schandaal waren.
    De vertalingen van diezelfde biechtvadershandboeken waar ik het al over had beschrijven de meest vreselijke misdaden, moord en doodslag, gewoon in het Nederlands. Maar zodra ze aan de onkuisheid toe zijn schakelen ze plotseling op het oorspronkelijke Latijn over.
    Nou is het in de wereld van de spiritualiteit zo, dat het goddelijke altijd wordt verborgen. Ergens een gordijn voorhangen of iets achter een muur verbergen betekent dat het uiterst heilig is. Eén van de redenen dat bijvoorbeeld de moderne westerse liturgie zo slecht functioneert is dat ze veel te bloot is, met haar keukentafelaltaren en platte volkstaalmissalen. Ze toont wat verborgen hoort te zijn.
    In het geval van seksualiteit is er dan ook sprake van heel tegenstrijdige communicatie.
    Aan de ene kant is seksualiteit schijnbaar een louter doelmatige handeling om je voort te planten, aan de andere kant wordt het met een symbolisch onbespreekbaarheid beladen die loodzwaar is. Die dus juist aangeeft dat het om een uiterst onaantastbare zaak gaat.
    Seks is dus zo een vorm van communicatie geworden die zichzelf voortdurend tegenspreekt. Een stereo signaal met een fasenprobleem, waarbij de golven van de rechterbox die van de linker precies opheffen. Met als resultaat stilte. Geen ontspannen stilte, maar een onhoorbaar geschreeuw.
    Die situatie heeft overal en nergens onbeschrijfelijk leed veroorzaakt en ook nog eens onze hele geestelijke traditie van haar morele geloofwaardigheid beroofd. Daarom pleit ik ervoor te voorkomen dat deze domme houding zo blijft of zelfs nog sterker terugkeert.
    Stilte is gevaarlijker dan porno, heb ik dit filmpje genoemd. Een titel met een heel bewust dubbele bodem.
    Want het woordje ‘gevaarlijk’ is niet altijd zo eenduidig. Juist het meest heilige is immers bij uitstek ook het meest gevaarlijke, in de zin van dat er onvoorstelbare mogelijkheden in liggen opgesloten. Als we iets ongevaarlijk noemen, is dat lang niet altijd een compliment. Saai, bedoelen we dan ook, vaak.
    De overdaad aan seksuele prikkels waar we de afgelopen zestig jaar mee geleefd hebben kan ons verslaven en onze verwondering verdoven. In die zin is porno gevaarlijk, in negatieve zin. Maar het verzwijgen en verkrampen van seksualiteit is nog veel gevaarlijker. Want die kan ons eindeloos onzeker maken, obsederen en het ons onmogelijk maken emotioneel volwassen mensen te worden. In die zin is stilte nog gevaarlijker dan porno, in negatieve zin.
    Want porno is zo plat dat ze niet lang en niet écht kan boeien. Daarom heb je er ook steeds extremere vormen van nodig als je je eraan overgeeft. Het ontbreekt haar aan werkelijke ‘lading.’ Aan Logos. Ze heeft geen grond, geen echte inhoud. Ze is onheilig, en in de diepere zin van dat woord dus in feite ‘ongevaarlijk.’
    Gevaarlijk, in positieve zin, in de zin van werkelijk fascinerend, is dan weer het woordeloze spreken van mensen die echt van elkaar houden. Zo machtig dat je er niet anders dan de grootste eerbied voor kunt hebben. Al was het maar omdat dat letterlijk je eigen oorsprong is.
    En in al die betekenissen is stilte dus gevaarlijker dan porno.


    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe

Meer Christendom podcasts

Over Geruis Uit De Kluis

Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl
Podcast website

Luister naar Geruis Uit De Kluis, Heilige van de Dag en vele andere podcasts van over de hele wereld met de radio.net-app

Ontvang de gratis radio.net app

  • Zenders en podcasts om te bookmarken
  • Streamen via Wi-Fi of Bluetooth
  • Ondersteunt Carplay & Android Auto
  • Veel andere app-functies

Geruis Uit De Kluis: Podcasts in familie