Ga naar de inhoud
Radio Logo
PodcastsChristendomGeruis Uit De Kluis

Geruis Uit De Kluis

Pater Hugo
Geruis Uit De Kluis
Nieuwste aflevering

55 afleveringen

  • Geruis Uit De Kluis

    Homohaat en de essentie van de mens

    10-10-2026 | 35 Min.
    Ik voelde mij door de omstandigheden min of meer gedwongen dit te maken, maar ik twijfelde of ik het hier zou posten. Op het eerste gezicht raakt het immers niet direct aan mystiek.
    Maar op het tweede gezicht piepen er toch weer allerlei klassieke mystieke thema’s in naar boven, dus, bij deze.
    Ik ben een witte cisgender man van vijftig met een grijze baard in een zwarte soepjurk en ik ga iets vinden over homo’s en zo. Wat kan er misgaan?
    Nederlandse jongeren zijn veel negatiever gaan denken over homoseksualiteit. Dat bleek uit een vorige week gepubliceerd onderzoek.
    Voordat iedereen begint te blaten: Dat gaat hier nou eens niet om een onzinonderzoek, een speledingetje van de een of andere academische genderstudiefiguur of zo. Het klopt gewoon wat er wordt gezegd:
    Als je regelmatig jongeren over de vloer hebt merk je het gewoon. ‘Gay’ wordt gebruikt als een woord voor alles wat slecht of gewoon niet cool is, jongeren met een andere seksuele oriëntatie vertellen dat ze zich niet veilig voelen op school en er is een onvolwassen macho cultuurtje gegroeid waarin het duidelijk weer stoer is om je misselijk te gedragen tegen mensen die je niet snapt. Ze doen er lang niet allemaal actief aan mee, maar dat doet er niet zoveel toe. De algehele atmosfeer wordt er donkerder op.
    Jammer. Ik had wel niet al te grote illusies over dit alles, maar ik dacht toch oprecht dat de zaken er op dit terrein op vooruit waren gegaan. Dat we hier duidelijke regels over hadden, ondertussen. We vellen geen oordeel over elkaar op basis van tot wie je je aangetrokken voelt. Laat staan dat we elkaar daarom laten vallen of buitensluiten. Punt.
    Hoe dan ook: gelijk al toen ik het nieuws hoorde zag ik al aankomen dat bepaalde mensen van mijn leeftijd het christendom of zelfs de Kerk de schuld zouden gaan geven van dit alles. Die heeft immers volgens hen van die achterlijke ideeën en is bij een deel van die jongeren weer in de mode, dus dan is die conclusie snel getrokken.
    En inderdaad: een dag of drie later kreeg ik de eerste verhalen, op de een of andere manier vooral van meisjes. Over moeders en oma’s die de krant hadden gelezen en nogal ongenuanceerd op hun geloof begonnen in te hakken.
    Op zich verbaast mij dat niet, want die moeders zijn iets jonger dan ik, en die oma’s iets ouder, en de afkeer van religie van mijn generatie is echt best wel hard, primitief en irrationeel.
    ‘Pater, leg nou eens uit hoe het zit’ riep een van die meisjes natuurlijk. En toen was ik de klos, want daar zat ik niet op te wachten. Niet voor niks ben ik geen moraaltheoloog geworden. Ik heb een vreselijke hekel aan godgeleerdheid die zich al te gedetailleerd bezighoudt met wat mensen zoal tussen de lakens doen.
    Daarbij heeft de Kerk als het om seksualiteit gaat in de afgelopen honderd jaar zo enorm geblunderd dat ze het niet erger had kunnen maken als ze het expres had gedaan. Alleen al het kindermisbruik dat vanaf 2010 of zo aan het licht kwam heeft minstens tien jaar van mijn leven verziekt, en dat was weliswaar wel het ergste, maar niet het enige probleem.
    Ik ben er dus eigenlijk wel een beetje klaar mee en er zijn andere onderwerpen die ik uitdrukkelijk aantrekkelijker vind.
    Maar goed. In de hemel rusten we uit. Vooruit maar weer.
    Essenties
    Nu volgt er een hele reeks valse starts. Klassieke muziekstukken hebben wel tien eindes, maar ik kon dit filmpje maar niet begonnen krijgen. Allereerst omdat één ding al heel snel glashelder werd.
    Ik begon toen ik eenmaal zeker wist dat ik dit ging doen natuurlijk beter op te letten en ook meer vragen te stellen. Natuurlijk heb ik niet de middelen om een serieus wetenschappelijk onderzoek op poten te zetten, maar de resultaten waren zó uniform en eensluidend dat voor mij persoonlijk de conclusie helder is.
    Niemand begon over een concrete afkeer van Berend de balletliefhebber en Max de modekoningin. Of Natasha de plaatselijke bokslegende. Ook heb ik niemand horen zeuren over viezerikken die gluren onder de douche bij de voetbal of dat soort dingen.
    Al dat soort cliché’s had ik wel verwacht, maar ik kreeg ze niet. Wél kreeg ik voortdurend tirades over regenboogvlaggen, -bankjes -zebrapaden en kalenders vol roze en paarse maan-, dins- woens- en zaterdagen en zelfs hele pride-months. En dan vooral ook de vermoeiende passieve agressie waarmee dat alles wordt toegediend.
    Ik hoop maar dat het niet te laat is, maar misschien is deze hele negatieve ontwikkeling nog wel redelijk makkelijk te stoppen. Namelijk door de bobo’s van de emancipatie-industrie de volgende spreekwoorden in spiegelbeeld op hun voorhoofd te laten tatoeëren:
    ‘De tonen maken de muziek’
    ‘Met honing vangt men meer vliegen dan met azijn’
    en vooral ook:
    ‘In de beperking toont zich de meester,’
    ‘Overdaad schaadt’ en
    ‘Je moet de pap niet te dik maken.’
    Natuurlijk weet ik niet of dit ook opgaat voor bepaalde gemeenschappen met een specifieke migratie-achtergrond, maar ook daar vermoed ik dat je meer bereikt met vriendelijkheid en geduld dan met een zuur toegediende stortvloed van regenbogen.
    Het probleem ligt dus volgens mij deze keer eerder bij de linkse Kerk dan de katholieke Kerk. Die heeft trouwens ook, zelfs als er inderdaad al een oplevingetje gaande is, op dit moment helemaal niet de invloed om zo’n verschuiving te veroorzaken. Maar ook trouwens gewoon niet de wens.
    Tenminste: dat hangt er vanaf wie je precies bedoelt met ‘de Kerk.’ Alleen de officiële autoriteiten of ook alles wat daar achteraan slakkert, rijp en groen door elkaar? Want daaruit gaan soms toch wel vreemde stemmen op.
    Als katholieken hebben wij de regel dat eerlijk zoeken naar de waarheid boven het krijgen van het eigen gelijk gaat. Nou is helaas door de invloed van Amerikaanse Vlogs de gewoonte ontstaan om op een vooringenomen manier dingen te roepen over zaken die niks met theologie te maken hebben, en die dan dogmatisch vol te houden alsof het om wet en profeten gaat. Ook als mensen die er wél voor hebben geleerd zeggen dat dat allemaal zo niet klopt.
    Bijvoorbeeld over of homoseksualiteit is aangeboren of aangeleerd of ontstaat als je als peuter wordt bepoteld of wanneer je hebt geprobeerd het hoofd van de barbiepop van je zusje in je neus te proppen. Of de mini monstertruck van je broertje, als je een meisje bent.
    Daarom maar even, ten overvloede: Daar gaat deze video niet over. Wat de oorsprong is van seksuele oriëntaties is geen religieus thema. Niemand in ons vakgebied heeft de expertise om daar iets zinnigs over te kunnen zeggen. En de mensen die wél zijn opgeleid om er iets over te vinden komen er tot nu toe gewoon nog niet uit, lees ik.
    Dit alles is voor mij dus principieel geen onderwerp, en het boeit me ook niet. Niet-heteroseksuele mensen bestaan. Proberen ze daarin te veranderen loopt klaarblijkelijk vrijwel altijd op een drama uit en wordt daarom nu zoveel mogelijk aan banden gelegd. Waarschijnlijk terecht, maar niet mijn expertise. Punt.
    Nog zo eentje uit Amerika: roepen dat onze identiteit niks te maken heeft met onze seksuele oriëntatie. En dat argument dan gebruiken om mensen te verbieden zich te uiten. Nou is seks inderdaad niet de maat van alle dingen, prima. Het probleem is alleen wel dat juist voor de Kerk seks onlosmakelijk verbonden hoort te zijn met liefde. En je oriëntatie bepaalt natuurlijk wél met wie je een intieme relatie ontwikkelt. Met wie je je leven deelt, van wie je houdt.
    En daaraan ontleen je wel degelijk je identiteit. Minstens een deel daarvan.
    Denk even na: nota bene de Personen van de goddelijke Drievuldigheid ontlenen hun identiteit aan hun relatie met elkaar. De Vader is alleen Vader omdat Hij een Zoon heeft, de Zoon is Zoon omdat Hij een Vader heeft en de Heilige Geest is nota bene niks anders dan de liefde van die twee die zo alles overstijgend is dat hij zelf weer tot een Persoon wordt.
    Van wie je houdt zegt dus niet alles over wie je bent, maar wel van alles over wie je bent.
    Goed. Moedigt de Kerk nou homohaat aan of niet. Niet, natuurlijk, maar je snapt wel waar het misverstand vandaan komt. Want ze zegt wel nog steeds dingen daarover die de meesten van ons tegenwoordig tegen de borst stuiten, en houdt die ook stug vol.
    Maar de traditie is daarin niet hatelijk. Het is belangrijk om, als we het over homoseksualiteit hebben, een duidelijk onderscheid te maken tussen rationeel denken over normen en waarden en spontane primitieve afkeer van mensen.
    De Kerk baseert haar wetten en regels over dit soort zaken niet op onderbuikgevoelens of primitieve afkeer of iets dergelijks. Ze vertrekt vanuit rationele overwegingen, niet vanuit emoties.
    Dat is tegelijk haar kracht en haar zwakheid. Want daardoor kan ze kil en zakelijk overkomen terwijl ze het heeft over de intieme dingen van mensen. Het voordeel is natuurlijk wel dat ze ook niet snel dood en verdoemenis zal preken op basis van spontane haatzaaierij, walging of paniek.
    Als de Kerk moeilijk doet over seks, is dat altijd omdat ze het geluk voor ogen heeft van de gemeenschap in het algemeen en de mensen die het betreft zelf. Omdat ze oprecht gelooft dat die specifieke manier van seksualiteit beleven hun welzijn in gevaar brengt.
    Goed, hoe zit het spul in elkaar? De christelijke theologie is diep essentialistisch. Dat moet je de hele tijd goed voor ogen houden. Essentialisme betekent dat alle dingen een vaste, door God gegeven ‘essentie’ of natuur hebben. Die essenties bestaan zelfs al vóórdat de dingen zelf bestaan, in de scheppende creativiteit van God. In zijn voorpret, zeg maar.
    Het allerhoogste en edelste van heel de schepping is voor katholieken de mens, en de essentie van de mens lijkt op God zelf. De mens is geschapen ‘naar het beeld en de gelijkenis van God.’ Dat staat ergens helemaal vooraan in de Bijbel.
    Nou bepalen die essenties of naturen waar ik het net over had niet alleen wát iets is, maar ook wat de bestemming ervan is, waar het naartoe leeft of bestaat.
    En voor de mens is God dan ook niet alleen de blauwdruk, maar ook de eindbestemming van het leven. De hemel is geen plaats, geen feestzaal waar je eeuwig rijstepap te eten krijgt en samen vrome liedjes zingt totdat je groen uitslaat. Het is de symbolische naam van een toestand van het helemaal opgenomen zijn in de liefde van God. Niet boze grijze mannetje in de wolken met een driehoekje achter zijn hoofd, maar de meest uiteindelijke, absolute realiteit. In Persoon.
    Dat klinkt allemaal super, maar het heeft natuurlijk wel consequenties. Omdat de menselijke essentie vaststaat en door God gegeven is, is het logisch dat daar ook objectieve, dus vaststaande ethische regels uit voortvloeien. Daarmee bedoel ik: daden zijn niet goed of slecht omdat we dat toevallig zo hebben afgesproken, maar omdat ze ófwel in harmonie zijn met de menselijke natuur en de menselijke vervulling, ófwel daar juist mee vloeken.
    Dingen zijn dus niet slecht omdat de Kerk ze toevallig een keer verboden heeft, toen ze daar zin in had, maar andersom. De Kerk verbiedt dingen omdat ze gelooft dat die slecht voor je zijn.
    Die manier van denken wordt ook toegepast op seksualiteit.
    Volgens de traditie komt de mens in twee varianten, man en vrouw. En dus niet man en vrouw en van alles daar tussenin. Gender is in het katholieke universum geen vloeibaar spectrum of een sociale constructie of iets dergelijks. Man en vrouw hebben elk de essentiële natuur van ‘mens,’ maar die is lichamelijk verschillend uitgedrukt. Ze zijn gemaakt om elkaar te vinden, van elkaar te houden, samen één vlees te worden en zo nieuw leven voort te brengen. Lichamelijke vruchtbaarheid is dus ook heel belangrijk voor de Kerk.
    Je snapt wel dat dit hele gebeuren logisch in de knoop raakt als je in plaats van de man en de vrouw twee mannen of twee vrouwen koppelt. Die passen lichamelijk niet in elkaar en krijgen in die opstelling ook geen kinderen. En, belangrijker nog: volgens de Kerk zijn ze ook mentaal niet complementair, dat wil zeggen dat ze elkaar niet op dezelfde manier aanvullen, niet tot dezelfde harmonieuze eenheid samengebracht kunnen worden als een man en een vrouw.
    Daarom noemt de Kerk homoseksuele handelingen ‘intrinsiek ongeordend.’ Dat is kerkchinees voor: je wordt daar ongelukkig van, want het is niet in harmonie met je bestemming als mens.
    Ook begrijp je waarom de Kerk niet meegaat in de gendertheorieën die de laatste vijftien jaar of zo in de mode zijn gekomen.
    Natuurlijk erkent de Kerk dat er zoiets als genderdysforie bestaat, en het is ook niet zo dat ze daarvoor geen mededogen kan opbrengen. Maar een werkelijke geslachtsverandering is voor de katholieke traditie zo goed als onvoorstelbaar. Dignitas infinita, een Vaticaans document over dit soort dingen, zegt dat geslachtsveranderende ingrepen „in de regel” de ontvangen menselijke waardigheid dreigen aan te tasten.
    Dat klinkt streng, maar ik was bij het onderzoeken van deze video eerlijk gezegd verbaasd over dat “in de regel.” Ik had het nog veel absoluter verwacht.
    Enfin. Je kan deze hele manier van denken logisch of juist bespottelijk vinden, en vooral ook veel te rationeel, kil en zakelijk, maar één ding is wel duidelijk: dit alles faciliteert op zichzelf geen homofobie. Je kan op basis hiervan wel daden afkeuren, maar geen mensen afwijzen of afschrijven of zelfs maar onbelemmerd naar de Filistijnen laten gaan omdat je ze vies of afstotelijk vindt.
    Als dus jonge mensen hun homoseksuele en transgender leeftijdsgenoten het leven moeilijk zouden maken en zich daarvoor zouden beroepen op hun katholieke geloof zouden ze van hun pastoor ongenadig op hun kop moeten krijgen. Ze zouden dat gedrag bovendien als een behoorlijk zware zonde moeten biechten. En een zware penitentie moeten krijgen.
    Goed, de kerkelijke leer is strikt gesproken dan misschien niet homofoob, maar ook niet hartverwarmend op dit punt. In naam van de rechtvaardigheid, de barmhartigheid en de naastenliefde zijn we daarom verplicht om haar moeilijke vragen te blijven stellen.
    Ten eerste is door de groei van de mobiliteit en het internet, waardoor mensen die niet heteroseksueel zijn elkaar makkelijker kunnen vinden en herkennen, de hele praktische realiteit van het fenomeen veranderd. Veel makkelijker dan vroeger ontstaan er stabiele, liefdevolle, gelijkwaardige relaties. De kerkelijke moraaltheologie kan daar op dit moment nog heel weinig mee. Maar is het eigenlijk wel eerlijk om met hetzelfde vingertje te wijzen naar dit soort relaties als naar de pure behoeftenbevrediging die je vroeger vaak zag, en die ook nog eens vaak ongelijkwaardig uitpakte?
    Nota Bene de Heilige Schrift zegt zelf dat het niet goed is voor de mens om alleen te blijven. En niet alle homoseksuele katholieken hebben een priesterroeping of een neiging tot het klooster. Dus wat moeten die dan met hun leven? Op dit moment heeft de Kerk daar eigenlijk niks beters op te zeggen dan: wat akelig voor je. Je moet maar veel bidden. Dat is sowieso onvoldoende. Dat moet beter.
    Want seksualiteit in de zin van erotiek is natuurlijk helemaal niet het voornaamste thema in heel deze discussie, ook al gaat daar in de praktijk steeds alle aandacht naar uit. Net als alle mensen hebben ook mensen die niet heteroseksueel zijn natuurlijke behoeften. Niet alleen aan lichamelijkheid, maar vooral ook aan nabijheid, erkenning, exclusiviteit, tederheid en een thuis bij een ander. Die behoeften verdwijnen niet als bij toverslag omdat anders de regeltjes van een of ander metafysisch dominospelletje in de war raken.
    En tegelijk: het gaat pijn doen dat het nooit helemaal zal passen. Het is onzin om dat te ontkennen. Maar dat wil toch niet zeggen dat er verder geen vorm van trouw, zorg, tederheid, wederzijdse gave, maatschappelijke dienstbaarheid en andere vormen van vruchtbaarheid kunnen zijn? Of dat die ineens ongewenst of zelfs waardeloos zouden zijn? Daar geen serieus antwoord op te zoeken is voor een millennia oude spirituele traditie gewoon onvoldoende. Dat moet beter.
    Sowieso is de blik van de dogmatische traditie op seksualiteit in het algemeen duidelijk te nauw. Weliswaar klopt de legende niet dat de Kerk zou leren dat seks niks anders is dan een fokprogramma en verder vooral griezelig is. Sommige kerkvaders dachten er wel zo over, Clemens van Alexandrië, bijvoorbeeld, maar de meesten waren duidelijk genuanceerder. Maar romantische hoogvliegers worden dit soort figuren nergens, ook niet later in de middeleeuwen. Dat laten ze over aan kloosterzusters die mystieke boeken schrijven. Voortplanting, zelfbeheersing en rationele orde blijven de voornaamste thema’s.
    En dat is gek. Zelfs in het allerkatholiekste huishouden, dat uitpuilt van de heiligenbeelden en de rozenkransen, betekent vrijen zelden alleen: we gaan er eentje in de oven schuiven. Veel eerder is het een vorm van taal. Taal die niet gesproken, maar gedaan wordt. Waarmee je bijvoorbeeld kan zeggen: wat ben ik toch blij dat ik je heb. Ik verlang naar je, ik vertrouw me helemaal aan je toe, ik wil bij je horen, ik wildat je bij me thuis bent, ik troost je, enzovoort, enzoverder.
    Dat alles kan trouwens ook probleemloos wortelen in de traditie. In verschillende graden van vergeestelijking en zinnebeeldigheid hebben we het overal in de aanbieding. Het boek Hooglied is er het meest sprekende voorbeeld van. En dat gaat niet in eerste instantie over God, even voor de duidelijkheid, maar gewoon over seks. Buitenechtelijke seks ook nog, trouwens. Goed, dat is een ander verhaal voor een andere keer.
    Want, we hadden het nu even over gelijkgeslachtelijke relaties, en dat is niet hetzelfde, of we dat nou leuk vinden of niet. En dan toch: als twee homoseksuele mensen lichamelijkheid beleven als een taal van trouw, genegenheid, kwetsbaarheid en wederzijdse toewijding, kan de moraaltheologie niet in alle oprechtheid doen alsof daar niks anders gebeurt dan een objectief ongeordende act. Dat is niet alleen onbarmhartig, maar ook gewoon lui. Het is onvoldoende. Dat moet beter.
    Net doen alsof er geen probleem is kan trouwens ook niet. Er zijn genoeg praktiserende katholieken in niet-heteroseksuele relaties die daar heel nuchter over mee kunnen praten. Misschien dat die in deze ontwikkeling een grotere rol zouden moeten krijgen. Zodat de situatie eens bekeken wordt van binnenuit.
    En er zullen altijd grenzen blijven die niet iedereen leuk gaat vinden. De dag dat de Kerk homoseksuele relaties gelijk gaat schakelen aan het kerkelijke huwelijk komt gewoon niet, want dat is heel uitdrukkelijk ook op het ontvangen van kinderen gericht. En het is ondenkbaar dat de Kerk ooit adoptie door paren van gelijk geslacht gaat aanmoedigen, laat staan verdrietig gedoe met draagmoeders en zo. Kinderen zijn er alleen omwille van zichzelf, en mogen nooit gebruikt worden voor een ander doel dan zichzelf.
    Primitieve afkeer
    Goed. Ik heb de theorie geschetst. Daar kan je het mee eens zijn of niet, maar homofobie kan je er niet mee goedpraten. En toch duikt die altijd maar weer overal op, ook in de Kerk. Kunnen we daar nog iets over zeggen vanuit de traditie?
    Seksuele opwinding en walging zijn van oudsher naaste familie van elkaar. Het zijn onstuimige, maar vooral ook onredelijke krachten.
    Dat je ze hebt: daar hoef je je niet voor te schamen. Niet voor verlangens en ook niet voor walging. Ze zijn wat ze zijn. Je bent niet verantwoordelijk voor wat er allemaal voor geks in je omhoogkomt, maar alleen voor wat je daar dan vervolgens mee doet. Want gevoelsoprispingen moeten leren luisteren naar je wil en je verstand. Anders ga je een misselijk leven tegemoet en de mensen om je heen ook.
    De eerste christelijke monniken, die in de derde en vierde eeuw in de Egyptische woestijn leefden, hebben heel gedetailleerd beschreven hoe dat werkt. Je ziel, zeggen ze, bestaat uit een hoger deel, je geest, en uit een lager deel. Dat lagere deel is niet goed of slecht, maar wel primitief, dierlijk. Het hangt heel erg dicht aan tegen je lichamelijk functies en je zintuigen, en het bestaat uit twee krachten, drift en begeerte.
    Nogmaals: die zijn op zichzelf niet slecht, en zelfs nodig om jezelf in stand te houden. Ze zorgen dat je eet en drinkt en slaapt en kindertjes krijgt en dingen kunt volhouden en doorzetten. Maar wel worden ze nogal makkelijk meegesleept door negatieve prikkels die de oude monniken ‘de acht gedachten’ noemen.
    Daarmee bedoelen ze geen neutrale ideeën, maar ontspoorde, slechte impulsen. Zij geloofden dat die afkomstig waren van letterlijke demonen, maar je kan er ook donkere neigingen uit je eigen onderbewuste in zien. Voor de praktijk maakt dat niet veel uit.
    In ieder geval proberen die gedachten je drift en je begeerte op hol te laten slaan. En die slepen je denken en je bewustzijn dan weer mee naar waar je niet naartoe wilt. Snertgedrag, in eerste instantie, en op den duur een rottig karakter.
    Van de acht gedachten zijn er acht, zoals je waarschijnlijk al zag aankomen. Vraatzucht, hebzucht, ontucht en woede; verder een soort hele doordringende verveling met een moeilijke naam en dan ook nog treurnis, ijdeltuiterij en hoogmoed.
    Geestelijk volwassen worden heeft ermee te maken dat je al die krachten leert beheersen, ordenen en in hun gezonde tegendeel leert te veranderen.
    Nou is het zo dat de woestijnvaders - zo noemen we die oude monniken - de demonen van de woede en die van de seksualiteit heel nadrukkelijk bij elkaar in de buurt plaatsen. Mensen die hun boosheid niet kwijt kunnen kuren dat nogal eens op een seksuele manier uit. En andersom liggen er ook korte lijntjes. Denk bijvoorbeeld maar eens aan wat er gebeurt als mensen jaloers worden.
    Je snapt het waarschijnlijk al: als jij een primitieve walging voelt over wat mensen die anders zijn dan jij met elkaar doen onder de lakens - ook als jij daar helemaal niet direct mee geconfronteerd wordt - komt dat door een samenspel van de primitieve krachten uit je eigen onderbuik.
    Dat wil niet zeggen dat je alles maar goed moet vinden of niet mag nadenken over wat de regels op dat terrein zouden moeten zijn of niet. Maar wat er nu gebeurt heeft met nadenken niks te maken, al denk je van wel.
    Want homoseksualiteit is niet bepaald het centrale thema van het christendom. Jezus heeft er, voor zover wij weten, nooit ook maar iets over gezegd. Dat wil niet zeggen dat Hij fan was, maar wel dat Hij er in ieder geval nooit enige nadruk op heeft gelegd.
    Dus als het steeds maar weer op de voorgrond treedt en je er zelfs de grote lakmoesproef van maakt voor wie wel en niet deugt of katholiek is moet je je echt afvragen waar je mee bezig bent. Je zou je dan misschien toch eens moeten afvragen: ‘Waarom steek ik eigenlijk zoveel aandacht en energie in dit ene aspect, dat mij ook nog eens niet persoonlijk aangaat?’
    Goed, het is niet zo raar dat dit alles zich juist bij scholieren voordoet. Die zijn bij uitstek aan het groeien op dit punt. Op die leeftijd wil je lichaam zich ontwikkelen en pompt je vol hormonen. Het hoort erbij dat je aan de ene kant steeds maar weer naar seks verlangt, maar er ook heel vies van bent als je denkt aan bijvoorbeeld het seksleven van je ouders, of ouderen in het algemeen, of mensen met een andere oriëntatie dan de jouwe of... vul maar in. In feite alle seksualiteit die niet past bij wat je zelf graag zou willen, alle seksualiteit die niet voor jou bestemd is. En die dus ook jouw zaak niet is, zou ik eraan toe willen voegen.
    En misschien is er ook nog wel iets aan de hand dat het onbehagen wat sterker maakt, en niet alleen bij katholieke jongeren.
    Ik beschreef daarstraks de manier waarop de katholieke Kerk naar de werkelijkheid kijkt. Nou is dat volgens mij niet zomaar de particuliere filosofie van een concrete geloofsgemeenschap, maar het voornaamste fundament onder de westerse mentaliteit als geheel.
    De katholieke cultuur is geen op een welbepaalde dag gestichte beweging met een overzichtelijke en exclusieve inhoud, zoals bijvoorbeeld jongere vormen van christendom dat wel zijn. Protestanten en zo. Het is ook niet het persoonlijke eigendom van de paus of het dicasterie van de geloofsleer. Het is simpelweg de bedding waarin de stream of consciousness, de gedachtenstroom van de mensheid, in ons deel van de wereld op dit moment nou eenmaal stroomt.
    De jongeren van nu hebben als kind de coronapandemie beleefd, en daarna het steeds maar verslechteren van de veiligheid in de wereld. De redelijke en ordentelijke wereldorde die voor ons altijd vanzelfsprekend was zien zij alleen maar steeds verder afzakken.
    Geen wonder dat die jongens en meisjes verlangen naar duidelijkheid en oriëntatie en grenzen en richting. Naar een fundament onder wat goed en kwaad is. Naar maatstaven en criteria en een heldere identiteit. Naar een wereld vol dingen die gewoon zijn wat ze zijn. Naar ‘Gezond verstand.’
    Maar, en dat is de pech, uitgerekend dat ‘gezonde verstand’ is door de emancipatie-industrie tot grootste vijand gekozen. Plus de hele denkwereld die erbij hoort.
    Dat is niet altijd zo geweest. Tot ongeveer 2000 verdedigden organisaties zoals het COC de rechten van homo’s en Lesbiennes met het simpele argument dat ze nou eenmaal zijn zoals ze zijn. Even later gebeurde er iets bizars. In Amerika raakte de beweging voor burgerrechten van Afro-Amerikanen tragisch verstrikt in een Franse filosofische stroming die we ‘postmodernisme’ noemen.
    Die was ironisch genoeg ontstaan uit het denken van drie witte, Franse, professoren, Lyotard, Derrida en Foucault. Zij stelden dat je alle culturele vanzelfsprekendheden moet wantrouwen, omdat daar allerlei machtsstructuren in verborgen zitten. Dat gaat zelfs op voor taal. Zelfs de woorden die je gebruikt kunnen een lading hebben die een bepaalde groep of instelling of tendens of politiek bevoordeelt ten koste van andere. En meestal valt dat uit in het voordeel van de status quo of ‘the powers that be.’
    Uit het huwelijk van die filosofie met de strijd voor sociale gerechtigheid voor zwarten in de VS werd geboren wat wij doorgaans tegenwoordig woke noemen. En dat ging weer een huwelijk aan met onze homo-emancipatiebeweging. Die veranderde daardoor van filosofie. Niet meer ‘wij zijn er nou eenmaal en we zijn wie we zijn dus wen er maar aan,’ maar werd daardoor veel harder, onverzoenlijker, passief-agressiever en vooral ook grenzelozer.
    De klassieke emancipatiebeweging stoelde, om het iets formeler uit te drukken, op het idee dat geaardheid een onveranderlijke, inherente eigenschap is. Het doel was dan ook gelijke rechten en integratie in de maatschappelijke orde zoals die er was. Simpelweg op basis van gedeelde menselijkheid (”wij zijn, net als jullie, biologisch zo geprogrammeerd”).
    Dat veranderde naar wat het nu is, namelijk de gedachte dat alle identiteitscategorieën zelf ter discussie moeten worden gesteld. Deconstructie, noemen we dat. Dat is één van die berippen uit het postmodernisme waar ik het net over had. Seksualiteit en gender zijn voor deze mensen vloeibare normen die door de maatschappij worden opgelegd; de nadruk ligt op intersectionaliteit en het ontmantelen van heteronormatieve instituten.
    Dat is onredelijk agressief, en ook gewoon tactisch onverstandig. Een piepkleine minderheid eist niet alleen te worden geaccepteerd - wat logisch en terecht is. Maar ze eist vervolgens ook nog eens alles en iedereen te dicteren hoe ze in het vervolg de werkelijkheid waar dienen te nemen. En dat gaat niet alleen niet gebeuren, maar wekt ook vooral een destructieve reactie op. Die misschien nu nog te stoppen is. Maar dan moet de muziek ietsje vriendelijker worden en de volumeknop iets naar links, graag. Zodat niet de gewone huis- tuin- en keuken-queers het slachtoffer worden van hun boze brusjes en zoertjes.
    We zijn trouwens in de eerste plaats allemaal gewoon mensen. Laten we daar eens wat meer mee bezig zijn. God weet dat dat wel wat aandacht kan gebruiken.


    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
  • Geruis Uit De Kluis

    Eriugena en de God die niet bestaat

    19-09-2026 | 4 Min.
    This is a free preview of a paid episode. To hear more, visit www.paterhugo.nl

    Dit is de tweede aflevering van de serie ‘Blauwdrukken van de Werkelijkheid,’ over de invloed van het neoplatonistische emanatiedenken op de christelijke mystiek. Om de stof goed te kunnen begrijpen is het wel echt van belang om kennis te hebben van wat er in de eerste aflevering is besproken. Daarin heb ik de basistrekken van het neoplatonisme behandel…
  • Geruis Uit De Kluis

    Is Pater Hugo een Modernist?

    12-09-2026 | 43 Min.
    De laatste tijd stikt het ineens van de vers bekeerde katholieke mannetjes die mij uitschelden voor modernist. Dat is in ieder geval een fris prespectief, want het grootste deel van mijn leven ben ik nogal eens voor aartsconservatief uitgemaakt. Dus fijn dat er eens wat nieuws onder de zon is. Maar ik heb wel de indruk dat deze jonge traditionele katholieken niet echt goed begrijpen wat het woord ‘modernisme’ precies betekent. Ik snap dat, want het is ook écht een héél moeilijk woord. Zelfs de mensen die het bedacht hebben konden destijds al niet goed uitleggen wat ze er eigenlijk mee bedoelden. Een beetje zoals je tegenwoordig het woord ‘synodaliteit’ hebt. Enfin, dat is een ander verhaal. Dat moet maar eens worden behandeld door iemand die ervoor betaald wordt en dus wel zal moeten.
    Ik beperk mij vandaag tot modernist en modernisme. Ik zal eens grondig uitleggen waar dat woord vandaan komt en wat het nou eigenlijk wel en niet betekent. Dan kunnen al die opgewonden kleine conservatieve vadermansjes mij er in het vervolg met recht en reden voor uitschelden. Of misschien ook wel niet. Maar daar komen we dan nu achter.
    (intro)
    Voordat ik echt van wal steek nog even voor de echt ongeduldige tiktokbreinen onder ons: op paterhugo.nl heb ik een cheat sheet modernisme klaargezet. Link in de beschrijving.
    Ok: daar gaan we dan: Een modernist in de katholieke zin is alvast niet zomaar iemand die de liturgie wil verpesten met banaal gedoe of sacrale dans of brood-en-watervieringen of malle liedjes. Zo iemand noemen wij in de katholieke Kerk gewoon een prutser of, als hij ervoor gestudeerd heeft, een vakliturgist, maar niet persé een modernist.
    Ook bedoelen we met dat woord niet iedereen die in het algemeen moderne ideeën heeft over de Kerk of de theologie of de ethiek. Iemand die vrouwen priester wil laten wijden of homo’s kerkelijk wil laten trouwen is wel erg modern, maar niet persé een modernist. Kán wel, maar hoeft niet persé.
    Wat is dan wél precies een modernist? De definitie is ongeveer als volgt:
    Een katholieke modernist is iemand die het christelijk geloof helemaal probeert te begrijpen vanuit de moderne historische wetenschap en de moderne filosofie. En dat niet zómaar, maar zó dat dogma’s niet meer in de eerste plaats worden gezien als onveranderlijke waarheden die God heeft geopenbaard. Ze worden gezien als menselijke formuleringen van een religieuze ervaring. Die formuleringen ontwikkelen zich door de geschiedenis heen en zouden ook zomaar kunnen veranderen of zelfs worden achtergelaten.
    Dat de definitie zo lang is geeft al wel aan dat het om een behoorlijk vaag begrip gaat. In ieder geval is vooral die laatste zin heel essentieel. Dus dat de grote geloofswaarheden van de Kerk zich niet alleen ontwikkeld hebben, maar ook nu nog kunnen veranderen of zelfs worden losgelaten. Iemand die dat niet duidelijk zo verkondigt is per definitie niet geen modernist.
    Vanaf de achttiende eeuw ontwikkelden de moderne wetenschappen zich ineens razendsnel, en in de negentiende eeuw zorgde dat ervoor dat het wereldbeeld van de mensen in feite niet meer tot rust kwam. Elke keer als je dacht dat je het snapte veranderde alles weer. De geologie maakte duidelijk dat de aarde niet duizenden, maar tenminste miljoenen jaren oud was. Darwin verscheen met zijn theorieën over de evolutie, rare verhalen over de mensen die van apen afstammen.
    Electriciteit, licht en magnetisme bleken min of meer hetzelfde verschijnsel te wezen. Ziekten bleken nogal eens te komen van levensvormen die zo klein zijn dat je ze niet kan zien. Het was om stapelgek van te worden.
    Wat heel belangrijk is, en ik daarom ook maar blijf benadrukken, is dat mensen voor het eerst op grote schaal gingen reizen. Daardoor kwamen er echt persoonlijke contacten met mensen met totaal andere religies uit totaal andere culturen. Dat maakte het veel lastiger om die religies en culturen als alleen maar monsterlijk of vreemd te blijven zien.
    Maar dat leverde wel twijfels op aan hoeveel waarheid van God er misschien ook wel in die andere tradities zou kunnen zitten. En sommige mensen begonnen zich zelfs af te vragen hoe absoluut de eis van Jezus was dat zijn leer overal verkondigd moest worden.
    Dat alles raakte dus hier en daar al behoorlijk aan het geloof, maar een hoop andere dingen nog veel directer. Voor het eerst werd het bijvoorbeeld duidelijk dat de Bijbel bepaald niet uit de lucht is komen vallen. Zo ontdekte een zekere George Smith tussen een berg Assyrische kleitabletten een voorloper van het verhaal over Noach en de ark.
    Het was duidelijk dat het Bijbelse verhaal daarvan afhankelijk was geweest. De uiteindelijk strekking was ook nog eens anders: God verdelgde de mensen niet omdat ze zo zondig waren, maar omdat ze teveel lawaai maakten. Dit alles maakte het wel moeilijk de zonvloed en de redding van Noach nog letterlijk te nemen.
    Sowieso toonden Bijbelgeleerden aan dat de vijf eerste boeken van het Oude Testament, waarvan iedereen altijd had geloofd dat ze door Mozes geschreven waren, door een hele hoop mensen in een hele hoop verschillende tijden waren geschreven. En daarna nog eens door een hele hoop mensen door elkaar waren gehusseld en veranderd en herschreven, dat ook nog.
    Dan waren er nog de geleerden die zich op de ideeën van kerkvaders stortten. En ook die ontdekten van alles. Eigenlijk dwaas, want het ging hier om geschriften die altijd al gewoon beschikbaar waren geweest en gedeeltelijk zelfs in de liturgie zaten. Maar iedereen had er al die tijd overheen gelezen. Het viel nu toch wel op dat allerlei heilige kerkvaders er in de eerste eeuwen van het christendom ketterse ideeën op na hadden gehouden.
    Nou ja, eigenlijk konden die ideeën toen nog niet ketters zijn, omdat de orthodoxe leer er gewoon nog niet was. Dat gold voor de heilige Justinus de martelaar, de heilige Cyrillus van Alexandrië en zelfs, in zekere zin, voor de heilige Athanasius.
    De clou van dit alles bij elkaar was dat vrijwel alles ineens een geschiedenis kreeg. De aarde had een geschiedenis. Diersoorten hadden een geschiedenis. De mens had een geschiedenis. Talen hadden een geschiedenis. Beschavingen hadden een geschiedenis. En uiteindelijk bleken ook Bijbelteksten, dogma’s en religieuze instituties een geschiedenis te hebben.
    Waarschijnlijk kijk je daar helemaal niet zo erg van op, en ook in de negentiende eeuw hadden ze dat op zich ook wel de hele tijd al geweten. Maar ze waren al heel lang niet meer gewend geweest om er ook zo naar te kijken.
    Tussen de elfde en de vijftiend eeuw had er een stroming gebloeid in de theologie die we ‘scholastiek’ noemen. Die had ertoe geleid dat de katholieke theologie veel meer naar de werkelijkheid was gaan kijken als een systeem dan als een geschiedenis.
    Niet de ontwikkeling van het christelijke denken stond centraal, maar de samenhang ervan in het hier en nu. De scholastici keken niet chronologisch naar de katholieke werkelijkheid, maar synchroon, zo noemen we dat dan.
    Ze beweerden het niet, maar hun werk wekte evengoed wel de indruk, dat de christelijke werkelijkheid even statisch was als de natuur. Dat het geen verhaal was, geen relatie van God met de mens die zich ontwikkelde, maar een kristallijn stelsel van verbanden, hiërarchieën en systemen.
    Dat beeld versterkte zich nog eens toen verschillende scholastici een soort totaaltheologieën begonnen te schrijven - boeken waarin ze probeerden heel de christelijke leer samen te vatten.
    De beroemdste van die theologen was de heilige Thomas van Aquino, die heel de werkelijkheid doorrekende aan de hand van het denken van de klassieke filosoof Aristoteles. Hij schiep een soort symfonische dogmatiek waarin alles met alles samenhing. Officieel maakte hij het niet eens helemaal af, maar toch oogde het zo compleet dat het inderdaad zoiets als de illusie van de definitieve voltooiing van de theologie wekte bij veel mensen.
    Zelf zou hij die suggestie trouwens bespottelijk hebben gevonden, maar het probleem met dit soort meesterwerken is nou eenmaal dat als je eenmaal dood bent anderen vrij zijn om wat je hebt gedaan te verabsoluteren totdat ze er blauw van aanlopen. En dat werd ook gedaan.
    Zijn ‘Summa Theologiæ’ werd zo invloedrijk dat de hele theologie er een totaal andere smoel van kreeg. In feite is dat enorm ironisch, want het verkeerd begrijpen van zijn mentaliteit zou nou juist leiden tot het gevoel dat dat helemaal niet kon, drastische veranderingen in de theologie.
    Thomas’ manier van denken ging na zijn dood nooit meer weg, maar liep in het begin ook niet uit de hand. Maar in de loop van de negentiende eeuw kreeg de Kerk het benauwd, door allerlei omstandigheden. Allerlei oude zekerheden vielen weg. De kerkelijke staat werd afgepakt, de paus was in het vervolg alleen nog een geestelijke leider. Allerlei ontdekkingen en andere manieren van kijken - ik heb het net al beschreven - bezorgden veel mensen twijfels aan het geloof.
    Dat merkte je ook in de politiek. Vooral in Frankrijk ontstond een vorm van liberalisme die sterk tegen de Kerk gekant was. De overheid en de intellectuele bovenlaag van de samenleving begon het geloof nogal eens actief tegen te werken.
    Het lukte de Kerk niet om daar soepel op te reageren. In plaats daarvan trad er een soort defensieve verkramping op. En in de theologie gebeurde dat door aan de hand van de systemen van Thomas een nog veel fijnmazigere systematisering door te voeren. Er werden voor elk terrein van de theologie handboeken geschreven waarin elk detail van de werkelijkheid tot in de diepste poriën werd vastgelegd. In genummerde lemmaatjes, lekker helder, lekker duidelijk.
    De priesters die hieraan werkten noemden zichzelf thomisten, maar tegenwoordig spreken we over dit stadium in de theologie als het neothomisme.
    Dit alles werd in eerste instantie ervaren als een enorm positieve ontwikkeling. Op 4 Augustus 1879 publiceerde paus Leo XIII de encycliek ‘Aeterni Patris,’ officieel over het herstel van de christelijke filosofie. Daarin maakte hij van Thomas van Aquino de normatieve intellectuele gids voor de katholieke filosofie en, daarmee nauw verbonden, de scholastieke theologie.
    Paus Leo windt er geen doekjes om in dat geschrift. Thomas is onder de scholastieke doctoren:
    “omnium princeps et magister”“de eerste en meester van allen.”
    En zijn leer geldt als een “singulare praesidium et decus” van de katholieke Kerk — een bijzonder bolwerk en sieraad van het katholieke geloof.
    Iets later maakte hij het nog concreter. In ‘Depuis le jour’ uit 1899 schreef hij over de priesteropleiding dat daar vooral de Summa van Thomas moet worden onderwezen.
    Dat alles klinkt op zichzelf niet rampzalig, maar bedenk even dat de ontwikkeling op dat moment buiten de seminariemuren precies andersom draait. Binnen leert de geestelijkheid naar de werkelijkheid kijken op een manier die bij uitstek statisch en systematisch is, terwijl er buiten het seminarie steeds historischer naar de wereld wordt gekeken.
    Naar waar dingen vandaan komen, hoe ze zijn gegroeid en aan de hand daarvan: waar het naartoe zou kunnen gaan. Maar de neothomistische theologie ging nergens naartoe, want die was al volmaakt. Tenminste voor het gevoel van de kerkelijke autoriteiten.
    Als paus Leo zou zijn opgevolgd door iemand die, net als hij, een diplomaat en een genuanceerde intellectueel zou zijn geweest, dan zouden al deze ontwikkelingen misschien wel weer tot een gezond evenwicht zijn gekomen. Maar er kwam een totaal andersoortig karakter op de pauselijke troon: een zekere Giuseppe Sarto, die paus werd onder de naam Pius X.
    Hij was van heel eenvoudige afkomst. Hij had zeker minstens een normaal verstand, maar wel vooral een praktisch verstand. Intellectuele nieuwsgierigheid was niet zijn voornaamste deugd. Per slot van rekening had je die niet persé nodig om je ziel te redden, en dat was het enige wat ertoe deed.
    Al die nieuwigheden in de wereld vervulden hem met argwaan, en hij begon het al snel als zijn taak te zien om de Kerk te beschermen tegen alle -ismen die tijdens zijn leven overal welig waren begonnen te tieren. Zo was socialisme bijvoorbeeld al overal een ding, maar gelukkig had zijn voorganger op dat terrein al bergen werk verzet.
    Pius zelf begon dan ook vooral te strijden tegen de opvolgers van het typische negentiende-eeuwse liberalisme: de secularisering, de scheiding van Kerk en staat, democratisering, emancipatie.
    Vooral de Franse regering gooide bij hem de hele tijd olie op het vuur door een agressieve politiek tegen de Kerk te voeren. De kloosters werden grotendeels verboden, net als katholiek onderwijs. De regering verbrak de diplomatieke betrekkingen met de paus en er kwam een intense, nerveuze scheiding tussen Kerk en staat die in Frankrijk trouwens nog altijd een ding is.
    Paus Pius was achteraf niet de juiste persoon om met dit soort verschijnsels verstandig om te gaan. In plaats van ervoor te zorgen dat Kerk en wereld elkaar bleven verstaan probeerde hij de kerkelijk wereld - en vooral de theologie - te isoleren van de ontwikkelingen buiten.
    In die context was hij eigenlijk degene die het woord ‘modernisme’ uitvond in de betekenis die het in de Kerk heeft gekregen. 1907 publiceerde hij de encycliek Pascendi Dominicis Gregi. Daarin beschreef hij modernisme als een bepaalde mentaliteit ten opzichte van het geloof die op allerlei gebieden dwalingen zou veroorzaken.
    In het Bijbelonderzoek ging het om historisch kritisch onderzoek. Dat was op zichzelf nog geen modernisme, maar wel als er werd beweerd dat de historische Jezus van Nazareth eigenlijk een totaal andere Figuur was dan de Christus van de Kerk.
    Onderscheid maken tussen de historische Jezus en wat latere christenen over Hem hebben gezegd is natuurlijk gewoon een eerlijke historische methode. Het wordt pas modernistisch als heel die figuur van „Christus” niks anders is dan de geloofsconstructie van de gemeenschap en nauwelijks nog wat te maken heeft met Jezus van Nazareth zoals Hij werkelijk was.
    In de dogmatiek ging het om het idee dat leerstellingen zich ontwikkelen. Ook dat is op zichzelf nog geen modernisme. Je krijgt pas een probleem als een dogma geen blijvende waarheid meer uitdrukt, maar alleen een tijdelijke verwoording van een steeds veranderende religieuze ervaring is.
    In de mystieke theologie speelt het als volgt: God wordt door mensen ervaren. Natuurlijk is dat zo, en dat is zeker geen modernisme. Het probleem ontstaat als openbaring uiteindelijk wordt herleid tot niks anders dan een beweging in het menselijke religieuze bewustzijn, zodat niet langer duidelijk is dat God werkelijk van buitenaf tot de mens spreekt en zichzelf openbaart.
    In de kerkgeschiedenis bestond het ook, dat modernisme. Bisschoppen en priesters en zo, en heel de liturgie en de andere kerkelijke dingen hebben zich historisch ontwikkeld. Dat is gewoon geschiedenis, en geen modernisme. Maar volgens paus Pius gaat het fout als bijvoorbeeld Christus de Kerk niet werkelijk gesticht heeft, maar het geloof daarin maar een latere legitimering is van een instituut dat maar toevallig zo in de geschiedenis is gegroeid.
    En dan is er natuurlijk nog de filosofie. Als die zegt dat menselijke kennis historisch is, en maar heel beperkt: prima. Maar niet als wij daardoor principieel geen objectieve kennis van de bovennatuurlijke werkelijkheid meer zouden kunnen krijgen. En ook niet als geloofsuitspraken alleen nog maar symbolische uitdrukkingen van onze ervaring worden.
    Op alle terreinen van het kerkelijke leven zag Pius dus dit soort tendensen. Geen wonder dat hij het modernisme de ‘Summa van alle ketterijen’ noemde.
    Het pauselijke gezag was destijds zo enorm dat we ons daar vandaag de dag helemaal niks meer bij voor kunnen stellen. In eerste instantie probeerde dus vrijwel iedereen na het lezen van die encycliek van harte de paus te gehoorzamen. Te begrijpen wat hij met ‘modernisme’ bedoelde en het dan ook serieus te vermijden.
    Maar dat was nog niet zo eenvoudig. Want die neothomistische handboekentheologie waar ik het net al even over had was wel heel dwingend geworden, en eigenlijk ook geestdodend. Nogal wat kerkelijke denkers begonnen het benauwd te krijgen.
    Als je gelatine in een aquarium gooit zie je de vissen steeds langzamer zwemmen en de waterplanten steeds langzamer wuiven tot het hele tafereel tot stilstand is gekomen in een statisch tableau. Transparant, maar onbeweeglijk. Ook kunnen die vissen op den duur geen adem meer halen. Ze sterven en beginnen vreselijk te stinken.
    Iets dergelijks gebeurde er nu ook in de Kerk. Het nadenken over God en de werkelijkheid kristalliseerde, versteende, fossiliseerde tot er nauwelijks nog beweging of creativiteit mogelijk was. En dat terwijl de wereld om het kerkelijke aquarium heen juist onstuimig in beweging was. Dat ging niet goed.
    Daarbij is het geen klassieke katholieke deugd om de gekende waarheid te ontkennen. Al die ontdekkingen over het ontstaan van Bijbelse geschriften konden bijvoorbeeld op den duur niet meer buiten de deur worden gehouden zonder dat het belachelijk werd.
    Nou hoeft dat alles niet onmiddellijk het geloof op losse schroeven te zetten. Stel je voor dat iemand op een heel historisch-kritische manier Bijbelonderzoek doet. Hij beweert stellig dat volgens hem Goliath niet gedood is door David, maar door een zekere Elchanan. Daar zul je verbaasd over zijn, maar het wordt nog bonter.
    Hij zegt ook nog dat hij niet gelooft dat Mozes en Abraham historische figuren zijn. Verder beweert hij dat het monotheïsme van Israël pas echt doorbrak in de Babylonische ballingschap, en dat in de tempel van Salomo dus niet alleen God, maar ook zijn vrouw Asjera en een hele rits kindertjes van die twee als goden werden aanbeden. Dan zegt hij ook nog dat bijna de helft van de brieven van Paulus vervalsingen zijn.
    Al deze dingen zijn tegenwoordig redelijk courante standpunten in de Bijbelwetenschap, sommige zelfs meerderheidsstandpunten. Niemand ligt er meer wakker van. Maar aan het begin van de twintigste eeuw raakten mensen van dit soort stellingen nog totaal overstuur. Het schopte hun wereldbeeld in de war. Want als de Bijbelse geschiedenis zoveel misverstanden en zelfs bedrog bevatte, was heel dat prachtige, statische, volmaakte, neothomistische bouwwerk van de katholieke theologie dan op drijfzand gebouwd?
    Uit die materie ontstond het conflict rond Loisy, één van de beroemdste veroordeelde modernisten. Hij zei:
    « Jésus annonçait le Royaume, et c’est l’Église qui est venue. »“Jezus verkondigde het Koninkrijk, en de Kerk is gekomen.”
    Hij bedoelde daarmee niet simpelweg: Jezus verkondigde het Koninkrijk, maar helaas kregen we de Kerk. Zijn punt was subtieler: Jezus heeft niet tijdens zijn aardse leven de katholieke Kerk gesticht als het instituut zoals wij het kennen. Die Kerk is historisch ontstaan, in de loop der eeuwen, uit de Jezusbeweging en haar verkondiging van het Koninkrijk.
    Hetzelfde gold volgens Loisy voor dogma’s. De latere christologische en trinitarische definities bestonden niet kant-en-klaar in het bewustzijn van de historische Jezus en zijn ook niet letterlijk terug te vinden in het Nieuwe Testament. Ze zijn ontstaan doordat de Kerk haar geloof onder veranderende historische en intellectuele omstandigheden steeds opnieuw formuleerde.
    Hij raakte zo drie gevoelige punten:
    - De historische betrouwbaarheid en de ware aard van de Bijbel
    - De stichting en het goddelijke fundament onder de Kerk
    - De verhouding tussen de onveranderlijke openbaring van God en dogmatische formuleringen die duidelijk wel veranderd zijn in de loop van de tijd.
    Hij probeerde het katholieke geloof zó opnieuw te construeren dat het compleet mee kon gaan in de historische ontwikkeling. In Rome waren ze - en daar hadden ze wel gelijk in - bang dat het daarbij niet alleen meer ging om de formulering van geloofswaarheden, maar ook om de inhoud ervan.
    Loisy werd uiteindelijk geëxcommuniceerd.
    Min of meer tegelijkertijd deed zich net zoiets voor rond de Ierse priester en Jezuïet George Tyrell. Hij was geen Bijbelwetenschapper, maar vooral een godsdienstfilosoof. Zijn centrale probleem was: hoe kan het christelijk geloof werkelijk hetzelfde blijven wanneer de filosofische en culturele wereld waarin zijn dogma’s zijn geformuleerd radicaal verandert?
    Tyrrell maakte daarom een scherp onderscheid tussen de religieuze ervaring van het geloof en de theologische en dogmatische formuleringen daarvan.
    Dogma’s zijn volgens hem absoluut nodig: anders kan de Kerk haar geloofservaring niet uitdrukken. Maar zulke dogma’s zijn wél historisch bepaald en kan je niet één op één gelijkstellen met de goddelijke werkelijkheid zelf.
    Dat bracht ook hem in conflict met Rome. Tyrrell vond dat de Kerk te gemakkelijk deed alsof scholastieke begrippen en stellingen rechtstreeks zo door God geopenbaard waren. Sterker nog: volgens hem konden dogma’s rustig veranderen, niet alleen qua verwoording maar ook qua inhoud en dan toch nog dezelfde geloofswaarheid overdragen.
    Het conflict escaleerde nadat Tyrrell openlijk kritiek leverde op de antimodernistische politiek van Pius X. In 1906 werd hij uit de jezuïetenorde gezet. Nadat hij felle kritiek had geuit op de encycliek Pascendi, waar we het al over hebben gehad, werden hem de sacramenten ontzegd.
    Hij mocht zelfs geen kerkelijke begrafenis krijgen toen hij in 1909 stierf. Zijn vriend, de priester Henri Bremond, woonde de begrafenis alleen maar bij en sprak bij het graf. Zelfs daarvoor werd hij nog een tijd gesuspendeerd. Wegens trouwe vriendschap gesuspendeerd in naam van Christus. Triest...
    De modernistenstrijd was het station van de christelijke naastenliefde ondertussen ver gepasseerd. De situatie begon steeds meer te lijken op die van de communistenvervolgingen in het Amerika van veertig jaar later. In het Vaticaan regeerde de paus vooral samen met de kardinalen Merry del Val en Gaetano de Lai als een soort antimodernistische Drieëenheid. Vooral die laatste stimuleerde de oprichting van een soort antimodernistische geheime dienst met spionnen en verborgen netwerken, het zogenaamde Sodalitium Pianum.
    Dat leverde in de praktijk de volgende situatie op:
    Stel je voor, je bent een wereldberoemde theologieprofessor aan een vooraanstaande universiteit. Je spreekt voor volle zalen en je boeken worden overal gelezen. Maar je bent voortdurend bang. Dat is op jouw leeftijd en met jouw staat van dienst volkomen gestoord, maar het is zo. Sterker nog: je krijgt het elke dag benauwder. Want het is 1911 en je leeft dus midden in de modernistenvervolging in de katholieke Kerk onder paus Pius de Tiende.
    Wat betekent dat voor jou? Laten we zeggen dat je mystieke theologie doceert. Dat is geen vak dat je kiest omdat je carrière wilt maken, maar omdat je gedreven wordt door échte nieuwsgierigheid naar de directe ontmoeting met God en de onmiddellijke ervaring van de fundamenten van de werkelijkheid. Zo is het ook voor jou. En je verlangt er ook naar die nieuwsgierigheid dóór te geven aan jonge mensen.
    Je zou dus eigenlijk zielsgelukkig moeten zijn met de positie als hoogleraar die je nu hebt. Die past precies bij wie je wil zijn en wat je wil doen.
    Maar je bent niet gelukkig, want van dat alles komt niets terecht. Want elke keer als je het wilt hebben over het geloof als een persoonlijke ontmoeting met God hangen je reputatie en je baan aan een zijden draadje.
    De kerkelijke autoriteiten zijn namelijk doodsbang voor dat soort katholiek zijn. Ze noemen dat, met een nieuw woord, ‘modernisme.’ Daarvan is niet helemaal duidelijk wat het betekent, wat het nog griezeliger maakt. In ieder geval willen de ambtenaren van de congregatie van de geloofsleer dat het geloof niet in de eerste plaats innerlijk wordt ervaren, maar van buitenaf wordt verkondigd en dan gehoord en aangenomen.
    Voor hen is geloof instemming met objectieve feiten, niet de persoonlijke ontmoeting met een God die weliswaar wel strookt met de kerkelijke leerstukken, maar er tegelijk ook altijd bovenuit stijgt. En er in zekere zin dus aan ontsnapt.
    Eigenlijk willen ze het liefst dat je je niet meer verwondert en niet meer nieuwsgierig bent. En je studenten een boekje uit hun hoofd laat leren waarin alles staat wat ze moeten weten. In genummerde stellingen.
    Je schouders Daarover ophalen gaat niet, want - geloof het of niet - er zitten elke dag verklikkers in je collegezaal. Sympathisanten van een geheimzinnig genootschap, een soort extreem conservatieve geheime dienst. Je weet niet wie het zijn, maar je weet wel heel zeker dát ze er zijn.
    Is het die zwijgzame norse jongen die altijd op de derde rij links zit? Misschien, maar voor hetzelfde geld is het je lievelingsstudent, die enthousiaste vent die altijd van die goeie vragen stelt en van wie je je zou kunnen voorstellen dat hij nog eens je opvolger zal worden.
    Dit alles klinkt als een paranoïde waan van een overwerkte academicus die te lang onder een berg boeken begraven heeft gelegen. Maar voor allerlei professoren en theologische schrijvers was het lange tijd bittere werkelijkheid. Tussen 1893 en 1914 veranderde de katholieke theologie steeds meer van een levende discipline in een starre angstcultuur, en bleef daarna tot ongeveer 1958 een vijver vol stilstaand water die steeds harder begon te stinken, ook buiten de intellectuele wereld. Het kerkelijke leven veranderde hoe langer hoe meer van een levende religie in een met ijzeren vuist gehandhaafde ideologie, opgesloten in genummerde definities.
    Zo’n situatie lijkt een beetje op een ballon waarin de druk steeds hoger oploopt. Als er niet af en toe iets van die spanning wordt uitgelaten ontploft op een gegeven moment de hele boel. En dat is precies wat er uiteindelijk ook gebeurde toen in de jaren zestig het Tweede Vaticaanse Concilie werd gehouden. Dat was een enorme vergadering van alle bisschoppen ter wereld, die speciaal werd georganiseerd om van deze verkramping af te komen. En dat werd nog best met voorzichtigheid aangepakt. Als je de documenten van dat concilie leest krijg je niet de indruk dat dat nou zo’n schokkende, revolutionaire bijeenkomst was.
    Maar in de praktijk was het in de situatie van dat moment - onder onverdraaglijke spanning - zoiets als de naald waarmee je in een strak opgepompte ballon prikt. De hele Kerk explodeerde met een enorme knal. In tien jaar tijd veranderde ze onherkenbaar.
    Een heel aantal dingen daaraan was echt heel fijn. Die professor waarover ik het net had: die mocht in het vervolg gewoon zeggen wat hij wérkelijk dacht. Hetzelfde gold voor zijn collega’s op andere vakgebieden. De gewone katholieken werden ineens veel minder met verkrampte regeltjes gebombardeerd over elk detail van hun leven. Ze mochten gewoon weer alles lezen waar ze zin in hadden en hardop moeilijke vragen stellen aan hun pastoor. En die was dan weer blij dat hij zich niet meer hoefde te bemoeien met de hoogstpersoonlijke privédingen van de mensen.
    Maar de Kerk zelf begon vanaf dat moment te kwijnen. Het was natuurlijk prima dat haar loodzware overheersende dwang was weggevallen. Maar de dingen waar ze voor bedoeld was en waarvoor ze ook echt nódig was kreeg ze ook niet meer gedaan. Die werden onbeschikbaar.
    Alles wat heilig en geheimzinnig en beschouwend was werd de Kerk uitgegooid en vervangen door sociale actie en een soort protestantse kerkdiensten of soms zelfs een soort popconcerten. ‘Beatmissen,’ werden die genoemd. Dat liep niet zo goed af, want voor die dingen was de Kerk niet gemaakt en ze was er dus ook gewoon niet zo goed in. Politieke activisten waren beter in sociaal actievoeren dan de Kerk. Protestanten waren beter in protestantse kerkdiensten houden dan de Kerk. En popmuzikanten waren zéker beter in popconcerten houden dan de Kerk.
    De Kerk was wél goed in heilige plaatsen in stand houden, die een beetje naast de dagelijkse werkelijkheid lagen. Waar het heel makkelijk was om het Absolute aan te raken. Ze was ook heel goed om heilige tijden te creëren, momenten die een beetje naast de normale kalender lagen, en waarop het ineens helemaal niet moeilijk meer was om God te ontmoeten. Ze was er ook heel goed in om een luisterend oor te bieden en de dingen van elke dag in het perspectief van de eeuwigheid te zetten. De zorgen en verlangens van mensen te zien, maar ook te relativeren, en zo lucht te brengen als het benauwd werd.
    Alleen hadden de mensen van de Kerk, de priesters en religieuzen, dáár nou net geen zin meer in. Ze haalden er hun neus voor op. Ze traden uit of wilden een soort therapeuten worden of politieke sprekers.
    En al die heilige dingen bleken nu al die tijd ook heel teer en breekbaar te zijn geweest. Ze verdampten razendsnel, en lieten de gebouwen waarin ze waren gekoesterd leeg achter. Een soort neogotische cocons waaruit de vlinder was weggevlogen.
    In wat de Kerk allemaal wél deed waren minder en minder mensen geïnteresseerd. Er bleek een nieuw soort religie te zijn ontstaan, die niet meer door te geven was aan de volgende generatie. Die vooral bestond uit tégen al het oude katholieke te zijn. En zoiets werkte nou eenmaal alleen voor mensen die ook echt onder het oude katholieke hadden geleden. Hun kinderen hadden er geen boodschap aan, en hun kleinkinderen al helemaal niet.
    Maar met hun áchterachterkleinkinderen is iets heel geks aan de hand. Een klein deel daarvan komt terug naar de Kerk, maar verlángt juist naar dat oude, verdwenen katholicisme. Allereerst naar het mysterie en de geborgenheid van de Kerk. Maar ook naar duidelijkheid en overzichtelijkheid. Rust binnen heldere grenzen. En die zou de Kerk ook zeker op een gezonde manier kunnen bieden.
    Maar het zou jammer zijn als we ook weer in dezelfde ijzeren verkramping zouden belanden die zestig jaar geleden nou juist een van de belangrijkste oorzaken was van het ontstaan van die allesverwoestende revolutie.


    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
  • Geruis Uit De Kluis

    Geroepen tot zelfgave

    30-08-2026 | 14 Min.
    De lezingen waarover de preek gaat:
    De profeet Jeremia bad als volgt: Heer, Gij hebt mij verleid, ik ben bezweken, Gij waart mij te sterk. Ik kan niet tegen U op. De hele dag lacht men mij uit, iedereen drijft de spot met mij.Telkens als ik het woord neem, moet ik schreeuwen en 'geweld en onderdrukking' roepen. Het woord van de Heer brengt mij iedere dag schande en smaad.Soms denk ik: Ik wil er niets meer van weten, ik spreek niet meer in zijn naam. Maar dan laait er een vuur op in mijn hart, het brandt in mijn gebeente. Ik doe alle moeite om het in bedwang te houden maar dat lukt me niet. (Jer. 20, 7-9.)
    Broeders en zusters, ik smeek u bij Gods erbarming: wijdt uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave, die Hij kan aanvaarden. Dat is de geestelijke eredienst die u past.Stemt uw gedrag niet af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zijt ge in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, wat zeer goed is en volmaakt. (Rom. 12, 1-2.)
    In die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan; dat Hij daar veel zou moeten lijden van de oudsten, de hoge­priesters en de schriftge­leerden, maar dat Hij na ter dood gebracht te zijn op de derde dag zou verrijzen.Toen nam Petrus Jezus ter zijde en begon Hem ernstig daarover te onderhouden: 'Dat verhoede God, Heer! Zo iets mag U nooit overkomen!'Maar Hij keerde zich om en zei tot Petrus: ' Ga weg, satan, terug! Gij zijt Mij een aanstoot, want gij laat u leiden door menselijke overwegin­gen en niet door wat God wil.'En daarna tot zijn leerlingen: 'Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen.Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden.Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als dit ten koste gaat van eigen leven? Of wat zal een mens kunnen geven in ruil voor zijn leven?Want de Mensenzoon zal komen in de heerlijk­heid van zijn Vader, vergezeld van zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden. (Mt. 16, 21-27.)


    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
  • Geruis Uit De Kluis

    Emoties zijn achterlijk

    22-08-2026 | 29 Min.
    Alle emoties zijn dom, behalve boos zijn, en elke vorm van genuanceerd denken is slap en ontwijkend geleuter. Dat zou je in ieder geval gaan denken als je op het katholieke internet komt. Daar zijn sinds kort de puistige puberjongetjes de baas. Dus moet plotseling alles stoer zijn. En vooral ook heel duidelijk.
    Dat de oude garde van beroepskatholieken daar moord en brand over schreeuwt is niet zo raar. Het is namelijk echt even wennen, want de wind stond tot voor kort precies de andere kant op. Het klimaat was er uitgesproken vrouwelijk, om het incorrecte woord verwijfd maar even niet te gebruiken, al ligt dat me in deze context wel echt vóór op de tong.
    ‘Hoe kan je dat nou zeggen, pater!’ roepen de mensen die nooit in een kerk komen nu onmiddellijk. ‘De katholieke Kerk is toch altijd al overdreven patriarchaal en door mannelijke waarden gedomineerd? En vrouwen kunnen toch helemaal geen priester worden en de priesters zijn toch de baas in de Kerk?’
    Heel vroeger was dat inderdaad wel zo, maar de werkelijkheid zag er de laatste zestig jaar of zo heel anders uit, zeker in noordwest Europa.
    Tot voor kort gingen mannen, als ze het even konden vermijden, zelfs liever helemaal niet meer naar de Kerk. Ze kwamen eigenlijk alleen nog als ze werden gedwongen door hun vrouw. Dat kon ze ook moeilijk kwalijk worden genomen. Wat er in de gemiddelde parochiekerk werd opgevoerd stond meestal stijf van de kinderliedjes, de sentimentele gedichtjes en een soort theatrale solidariteit met alles wat zielig was die meestal, eenmaal weer buiten, vooral heel vluchtig bleek te zijn.
    Hoe dan ook draaide alles om gevoel. Het geloofsonderricht ging niet meer om God en om Jezus, maar om jouw ervaring. ‘Hoe beleef jij dat?’ werd er de hele tijd gevraagd. En ‘Zo voel ik dat nou eenmaal’ was het einde van elke discussie. Je gevoel was de meest uiteindelijke maatstaf van alles.
    Die wereld is nu in de mist van de tijden verdwenen. Misschien dat hij nog een beetje na-ebt in een enkele afgelegen dorpsparochie, maar ook daar zal het nu wel snel over zijn. Die dingen gaan sneller dan vroeger, door het internet. En het katholieke internet - ik zei het al - zit vol jonge mannetjes. En die hoeven het even niet zo nodig over hun gevoelens te hebben.
    Weg met de weke therapietaal waarin alles gevoeld en gedeeld en verwerkt moet worden en waarin elk ongemakje een trauma is en elk smaakje een identiteit.
    Weg met die s**t! Weerbaarheid gaat het om! Discipline, koude douches, op je tanden bijten. Sportschool, gezond eten, doorzetten, op eigen kracht de broek ophouden. Je merkt wel dat de stoïcijnse filosofen in de mode zijn. De filosoof-keizer Marcus Aurelius en Seneca, de opvoeder van de slechte keizer Nero, die hem uiteindelijk vermoordde. Spannende levens, stoere filosofie.
    En de traditie van de Kerk geeft ze gelijk, toch? De kerkvaders hadden immers ook al niet veel met gevoelens. Dat zijn oprispingen uit het lagere deel van je ziel, bewegingen van je drift en je begeerte, je dierlijke krachten. Het zijn precies je gevoelens die door de demonen worden opgepord om op hol te slaan en je weg van God te sleuren, toch? Daarom moeten ze getemd worden door het intellect. Je gedachten moeten de baas zijn over je emoties.
    Als je dit soort dingen hoort komen die uiteindelijk van de woestijnvaders. Dat waren de eerste christelijke monniken, die vanaf de derde eeuw leefden in de Egyptische woestijn, bij Alexandrië. Ze waren enorm strijdbare figuren. Ze wilden God zoeken en zich bewijzen tegen de machten van het kwaad. Toen de christenvervolgingen voorbij waren en ze dus niet meer als martelaar konden sterven trokken ze de woestijn in. Daar konden ze in gevecht tegen de demonen en de afgodische geesten van de oude Egyptenaren, en zo alsnog een soort martelaren worden.
    Ze konden over het algemeen niet lezen en schrijven, en hadden ook niet echt de filosofische bagage om hun eigen ervaringen te kunnen duiden. Ze waren praktische mannetjes, bouwvakkertjes van de ziel, met strenge eenzaamheid en vasten als gereedschap. Ze hongerden de duivel letterlijk uit hun binnenste weg.
    Nou zouden we geen flauw benul hebben gehad van hun innerlijke wereld als er niet een zekere Evagrius was geweest. Dat was wel een heel onwaarschijnlijk figuur om woestijnkluizenaar te worden. Hij was juist een verwend mannetje dat aan het keizerlijke hof in Constantinopel allerlei deftige baantjes had. Hij was een decadent figuur en kroop bij zoveel mogelijk chique vrouwen in bed.
    Op een gegeven moment ging dat verkeerd, omdat chique vrouwen nogal eens machtige echtgenoten hebben, die het niet lollig vinden als ze niet zeker weten of hun kinderen wel echt van hen zijn. Evagrius moest dus vluchten en bekeerde zich zowaar tot een vroom leven bij de monniken. Eerst in Palestina, maar dat was een valse start. Na een paar maanden zat hij toch weer in het uitgaansleven van Jeruzalem en met zijn tengels overal waar ze niet hoorden. Hij besloot het dan maar drastisch aan te pakken en trok naar de hardcore kluizenaars, diep in de Egyptische woestijn.
    Met al zijn intellectuele bagage. Daarmee kon hij wat hij van de woestijnvaders te horen kreeg op zo’n manier opschrijven dat het ook voor buitenstaanders begrijpelijk werd. En hij deed dat aan de hand van de psychologie van Plato. Zo werd diens intellectuele raamwerk de kapstok voor de zo praktische ervaringswijsheid van de woestijnvaders.
    Plato onderscheidt in de ziel drie krachten of vermogens. Hij beschrijft die als een wagen met een menner en twee paarden ervoor, een wit paard en een zwart paard. Er zijn twee lagere vermogens, de drift - vaak toorn genoemd - en de begeerte. De toorn of drift is het witte paard. Het is zoiets als je levensenergie, je motivatie, je krachtbron. Je dommekracht. Je uithoudingsvermogen ook, trouwens. Het is redelijk braaf, zegt Plato.
    Het zwarte paard is je begeerte. Dat is de kracht die God je heeft gegeven om je te richten op de dingen die je nodig hebt om je lichaam en je soort in stand te houden. Het zet je aan op zoek te gaan naar voedsel, water, kleren, voortplanting, warmte, enzovoort, enzoverder. Het is wat opstandiger dan het witte paard, wat gevoeliger voor ontsporingen.
    Je hebt ook een hoger vermogen. Dat is de wagenmenner. We noemen het het intellect. Dat is niet zomaar een rationeel rekenmachientje, maar je eigenlijke, diepe zelf. Dat wat wij tegenwoordig bedoelen als wij het woord ‘ziel’ gebruiken.
    Je beide lagere vermogens, drift en begeerte, zijn op zichzelf neutraal, niet goed of slecht. Maar ze zijn ook primitief. En ze slaan makkelijk op hol. Dat maakt ze kwetsbaar voor de duivels en de demonen, die jou van God willen vervreemden. Ze willen dat jij in plaats van God de geschapen dingen aanbidt. Vreten, neuken, zuipen. Je overgeeft aan je meest primitieve zelf. Dus kietelen ze je begeerte met ideeën over blote borsten of knapperig gegrilde kippenpoten. In de woestijn is het niet moeilijk om mensen gek te krijgen met dat soort dingen. Die zijn immers verstoken van alles.
    Evagrius beschreef op basis van de ervaringen van de woestijnvaders acht specifieke dingen waarmee de duivels de monniken in de val probeerden te lokken. Die noemde hij de logismoi, de acht gedachten. Het gaat om vraatzucht, geilheid, hebberigheid, depressie, woede, geestelijke lamlendigheid, ijdelheid en hoogmoed. Paus Gregorius de Grote destilleerde er later de zeven hoofdzonden uit. Ik heb daar al uitgebreid filmpjes over gemaakt, ik zet daar links naartoe in de beschrijving.
    Om zich tegen die acht gedachten te wapenen ontwikkelden de woestijnvaders verschillende technieken. De belangrijkste was wel het rücksichtslos delen van al je gedachten met je geestelijke vader. Dat dwong je daardoor tegelijk ook om een heel verfijnde zelfobservatie te ontwikkelen. Zo kwamen de woestijnvaders tot een effectieve manier van wat wij tegenwoordig schaduwwerk zouden noemen: je eigen duisternis kennen, je beest in de bek kijken. Het doel daarbij was om de toestand van de passieloosheid te bereiken, de apatheia.
    Dat klinkt veel versbekeerde katholieke jonge mannetjes als muziek in de oren. Lekker stoer. Geen emo-gesnotter meer, alleen nog gezond verstand. Maar er wordt met die passieloosheid iets anders bedoeld dan zij in eerste instantie denken. Apatheia is geen koude onverschilligheid of een ijzeren controle zonder meer.
    Apatheia is ook geen eindpunt. Ze is ruimte die vrijgemaakt is voor God. Ze is bedoeld om moeder van jouw godsontmoeting te worden. Een hemel voor God om in te tronen, in het hart van jouw innigste zelf.
    De woestijnvaders streefden er niet naar om mannen van steen te worden. Ze wilden hun emoties niet vernietigen, maar ordenen. Vrijwel alle acht gedachten hebben ook een tegenovergestelde goede variant, die evengoed nog steeds emotioneel is. Het verschil is dat die zich laat leiden door het intellect. Niet door waar je zin in hebt, maar door wat je ten diepste wil.
    Om maar eens een paar voorbeelden te noemen: tegenover de hebzucht is er de ruimhartigheid die ervan geniet je naaste gelukkig te maken met wat je bezit. Tegenover de geestelijke lamlendigheid is er de dankbaarheid bij elk moment dat je even wordt aangeraakt door de aanwezigheid van God. Tegenover de duivelse depressie is er de gave van tranen, het kunnen huilen om je zonden. Dat is een typisch woestijnvadersidee. Die tranen komen uit een fundamenteel besef van je eigen duisternis en kleinheid die je tegelijk helemaal over laten lopen van dankbaarheid voor de genade van God.
    Allemaal zaken die heel positief zijn, maar wel ook emotioneel. Het gaat er dus inderdaad niet om je emoties te vermoorden, maar ze door de geest te laten zuiveren.
    De heilige Augustinus dacht er ongeveer hetzelfde over. Hij was bisschop in het huidige Tunesië, dat toen nog christelijk was, en misschien wel de invloedrijkste kerkvader ooit, in ieder geval bij ons in het westen. Als er iemand ooit wereldkampioen zelfreflectie had kunnen worden zou hij het wel geweest zijn. Hij was een navelstaarder op kerosine. Maar wel een verdienstelijke.
    Door al zijn gepieker en zijn naar binnen gekoekeloer viel hem op een gegeven moment op dat de menselijke ziel inderdaad geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis, zoals het boek Genesis zegt, aan het begin van de Bijbel. En wel niet alleen naar zijn éénheid, maar ook naar zijn Drievuldigheid.
    Dan denk je natuurlijk: daar bedoelt hij natuurlijk die wagenmenner van Plato mee, met zijn twee paarden. Maar Augustinus telde de paarden, de lagere vermogens van de ziel, helemaal niet mee. Hij ontwaarde in het hogere vermogen van het intellect - de wagenmenner van de ziel - ook weer drie krachten. Het geheugen, dat lijkt op God de Vader. Het verstand, dat lijkt op God de Zoon. En de wil, die lijkt op God de heilige Geest.
    Nou is het zo dat God voortdurend zijn eigen Drievuldigheid voortbrengt. Vanuit het ene wezen zelf - dat is de Vader - komt de Zoon voort. Beiden houden zoveel van elkaar dat hun liefde ook zelf weer een goddelijke Persoon wordt: de Heilige Geest. Die vouwt God dan weer samen in zijn eenheid.
    Net zo komt uit de grond van de mens zijn verstand voort, en uit beide dan weer zijn wil.
    En die doet in de mens wat de Heilige Geest in God doet: hij verenigt, brengt harmonie. Wie een sterke wil heeft is niet wispelturig. Die is betrouwbaar en consequent. Je weet wat je aan zo iemand hebt. Die is geen slaaf van zijn emoties en laat zich niet van de wijs brengen door gepieker. Als die wil ook nog eens van harte goed wil zijn wil is hij niks anders dan de liefde zelf. De liefde die van harte wil dat de ander leeft en gedijt en die zich met die ander wil verenigen.
    Volgens Augustinus is het die goede wil, de liefde van de mens, die de sleutel is tot het goed beleven van je emoties. Hij was enorm belezen en kende het werk van de stoïcijnen, die de emoties grotendeels wilden uitschakelen, heel goed. Geen begeerte meer, geen blijdschap, geen vrees of verdriet. Maar hij was het niet met ze eens.
    Christus zelf had immers ook gehuild, bij het graf van zijn vriend Lazarus. En was Hij niet doodsbang geworden in de nacht voor zijn kruisiging, toen Hij bad in de hof van Gethsémané? En was Hij niet razend toen Hij de geldwisselaars de tempel uitsloeg
    Als volkomen emotieloosheid het doel zou zijn geweest zou dus ook de menswording van Jezus Christus een mislukking zijn geweest. En zo kan het natuurlijk niet zijn. Wie al zijn emoties in zichzelf dood maakt lijkt niet meer op Christus. Is geen mens meer te noemen.
    ‘Pondus meum amor meus’ schrijft Augustinus ergens in zijn Belijdenissen. Mijn gewicht is mijn liefde. Daarmee bedoelt hij niet dat hij dol was op taartjes eten, maar dat de liefde van de mens een soort zwaartekracht is. Het leven van de mens beweegt zich in de richting van wat hij liefheeft. In feite zegt Augustinus met andere woorden wat Jezus zelf ook al had gezegd in het Evangelie: ‘Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.’
    En die liefde is wel meer dan emotie of gevoel alleen, maar is ook geen puur rationele kracht. Het is heel de richting van je wezen. Stenen vallen naar beneden, vuur schiet omhoog en jouw ziel reikt naar waar haar liefde haar drijft.
    Een goed mens worden heeft daarom voor Augustinus niks te maken met het afknijpen van je emoties, maar van het verenigen, ordenen en richten ervan. De juiste dingen en mensen beminnen in de juiste mate. Daarbij maakt hij een onderscheid tussen genieten en gebruiken, frui en uti. Sommige dingen zijn er om te genieten, ze te beminnen omwille van zichzelf. Andere zijn maar hulpmiddelen. Die worden niet genoten, maar gebruikt. Dat lijkt allemaal logisch, maar is in de praktijk heel verraderlijk. Hoe vaak raken wij niet hartstochtelijk verliefd op bijkomstige of zelfs schadelijke dingen?
    Dient de sportschool jou, of dien jij de sportschool? En hoe zit dat met sociale media? En je vriendschappen, zijn die evenwichtig? En heb je lief of ben je verliefd? Twee heel verschillende dingen die je snel met elkaar kunt verwarren.
    Wat Augustinus vraagt is dan ook wel echt moeilijker dan het doden van je emoties. Het vergt veel meer geduld, en soms ook gewoon levenservaring en rijping. Maar het zal je op de langere termijn wel een gelukkiger mens maken, en dat andere zeker niet.
    En dan hebben we nog de heilige Thomas, de favoriete filosoof van alle puberjongetjes in de Kerk. Nog lekkerder duidelijk is het niet te krijgen. De grootste autist op de heiligenkalender: alles wordt geordend tot je er groen van uitslaat.
    En dat geldt natuurlijk ook voor de emoties, de passiones animae, zoals Thomas ze noemt. Hij wijdt er een enorm blok van de Summa Theologiæ aan, tientallen kwesties en honderden bladzijden. Dat geeft al wel aan dat hij er geen voorstander van is om ze maar simpelweg te onderdrukken.
    Hij onderscheidt elf van die passiones, in twee families aan de hand van de begeerte en de drift, zoals je al kon zien aankomen. Bij de begeerte horen liefde en haat, verlangen en afkeer, vreugde en verdriet. Bij de drift, het strijdbare deel van de ziel, deelt hij alles in wat moeilijk is en weerstand biedt. Wat met doorzettingsvermogen te maken heeft, of juist het ontbreken daarvan: hoop en wanhoop, angst en moed en uiteindelijk de woede. Dat is de enige emotie die geen tegenhanger heeft, volgens hem.
    In principe zijn de emoties voor Thomas neutraal. Ze zijn goed nog slecht. Ze zijn alleen geordend of ongeordend, en krijgen daardoor hun morele lading. Of ze goed of slecht uitpakken, dus. Ze zijn, op zichzelf, dus ook geen zonde.
    Als je boos bent hoef je dat op zichzelf nog niet te gaan biechten. Maar je moet je wel afvragen of datgene waarover je boos bent dat eigenlijk wel verdient. En de maat ervan is ook een dingetje. Als ik in mijn auto op een smal Groninger weggetje zit achter een opa en oma die twintig rijden kan ik het niet helpen dat er een ergernisje in mij opkomt. Maar als ik dan vervolgens ga bumperkleven, toeteren en ze levensgevaarlijk ga inhalen ben ik natuurlijk niet christelijk bezig. Laat staan als ik ze klem rij en ze alletwee overhoop sla.
    Om het verschil aan te geven neemt Thomas een beeld over van zijn favoriete filosoof, Aristoteles. Het verstand regeert niet over de emoties als een dictator, een despoot, maar als een wijze heerser over vrije burgers. Er is eerder kalmte en relativeringsvermogen mee gemoeid dan op je tanden bijten tot je wangkauwspier begint te scheuren.
    Als we van Sint Thomas naar de grootste theoloog aller tijden gaan, Jan van Ruusbroec, zien we die een passage uit het Lucasevangelie aanhalen: “Hi hadde compassie ende mede-liden met der weduwen ende met den volke buten der poerten van der stat, daer hi den ionghelinc verwecte van der doot.”
    Dat verhaal zegt alles over hoe juist je emoties je mens maken.
    Jezus komt in het stadje Nain en loopt tegen een begrafenisstoet op. Het gaat om een jonge jongen, ook nog eens het enigst kind van een vrouw die ook al haar man kwijt is en moederziel alleen achterblijft. Lucas schrijft dan: ‘De Heer zag haar, en werd innerlijk met ontferming over haar bewogen.’
    Hij laat zich bewegen door de emotie die Hem overvalt, en die maakt dat Hij zich over haar wil ontfermen. Het werkwoord dat Lucas daarvoor gebruikt, esplanchnistè, komt van het woord voor ingewanden. Het grijpt Hem in de buik, het pakt Hem bij zijn ingewanden.
    Het woord wordt in het Nieuwe Testament alleen voor Jezus’ eigen emoties gebruikt, en verder alleen nog in drie verhalen die Jezus vertelt om moeilijke dingen uit te leggen. Hij gebruikt het voor wat de barmhartige Samaritaan voelt die een gewonde man van de weg haalt. Voor een koning die iemand zijn schulden kwijtscheldt en voor een vader die zijn weggelopen zoon van verre ziet terugkomen. Laten dat zou alle drie beelden zijn voor God zelf.
    Precies dat soort compassie, zegt Ruusbroec, is dus wat de mens op God laat lijken. En de mens dus meer mens maakt. In de Gheestelike Brulocht schrijft hij: “Want compassie es eene quetsure der herten die minne maect ghemeyne tot allen mensen, ende niet ghenesen en mach also langhe alse enighe doghet in den mensce levet.”
    Mededogen is dus volgens Ruusbroec een wond van het hart. Een wond die je niet mag laten genezen zolang er in enig mens nog lijden leeft. Het absolute tegendeel van onverschilligheid.
    De moderne internetstoïcijnen zeggen dat de empathie in jezelf moet doden, je hart moet verharden, je willens en wetens moet afstompen. Ruusbroec zegt precies het omgekeerde. Hij zegt dat je geen spoortje menselijkheid in je hebt als je hart niet is gewond door het lijden van je medemensen.
    Over wonden gesproken: Antonio Damasio, een neuroloog, deed eind vorige eeuw onderzoek naar mensen met een bepaalde beschadiging aan hun voorhersenen. Hun intelligentie was onveranderd. Er was ook niks aan de hand met hun geheugen, hun logica en hun taalvermogen. Alleen de emotionele kleuring van hun voorstellingen was weg. En daarmee, merkwaardig genoeg, ook hun vermogen om wat dan ook maar te kunnen kiezen. Ze bleven maar piekeren over de meest onnozele beslissingen. Op welke dag een afspraak te maken, bijvoorbeeld. Maandag of dinsdag. Pindakaas of Jam. Het was allemaal onmogelijk geworden.
    Het verstand alleen, zonder gevoel, is dus volkomen hulpeloos. Dat is niet alleen heel vroom, maar ook klinisch bewezen, zo blijkt. Wie het stoïcisme verkeerd begrijpt en het misbruikt om zijn gevoelens af te knijpen wordt daar uiteindelijk niet alleen ongelukkig van, maar ook gewoon blind. Ontdaan van zijn meest fundamentele oriënteringsvermogen.
    Want is er, zonder het kompas van de emoties, überhaupt wel een verschil tussen goed en kwaad, licht en donker, hemel en hel?
    Het verschil tussen geluk en ongeluk, genieten en lijden, beminnen en haten is geen rationele zaak. Voor wiskunde en formele logica maakt het niet uit of je pijn hebt of juist in extase bent.
    Als Ruusbroec het heeft over de hoogste vervulling van de mens gebruikt hij daar termen voor die de meeste mensen niet zien aankomen. Hij heeft het dan de hele tijd over ‘ghebruken.’ De goddelijke Personen van de Drievuldigheid ‘ghebruken’ elkaar en de mens en God ‘ghebruken elkaar.’ Dat klinkt krankzinnig. Het zet je op precies het verkeerde been, want ‘ghebruken’ betekent in het Middelnederlands geen ‘gebruiken’ maar ‘genieten.’ ‘Ten volle krijgen,’ je ‘helemaal overgeven,’ ‘helemaal opgaan’ in iets of iemand.
    Het is de vertaling van het Latijnse frui, dat we bij Augustinus al tegenkwamen. Het tegendeel ervan was uti, dat wél ‘gebruiken’ betekent.
    Ruusbroec zegt: ‘Men sal alle creatueren orboren, ende Gods ghebruyken.’ Het geschapene is er om te gebruiken. God is er om genoten te worden. Dus te beminnen. En in het verlengde daarvan geldt dat ook voor je medemensen.
    ‘Bemin God met hart en ziel en verstand en al je krachten,’ zegt Jezus, ‘en je naaste als jezelf.’
    Geen wonder dat Ruusbroec, als hij het over het einde der tijden heeft, hoopt dat wij allemaal eens Jezus tegemoet zullen gaan en ‘hem ontmoeten in die sale der glorien ende sijns ghebruken zonder inde inder eewicheyt.’
    En daar is geen woord stoïcijns bij.


    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
Meer Christendom podcasts
Over Geruis Uit De Kluis
Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl
Podcast website

Luister naar Geruis Uit De Kluis, Zij Lacht - Elke Dag en vele andere podcasts van over de hele wereld met de radio.net-app

Ontvang de gratis radio.net app

  • Zenders en podcasts om te bookmarken
  • Streamen via Wi-Fi of Bluetooth
  • Ondersteunt Carplay & Android Auto
  • Veel andere app-functies
Geruis Uit De Kluis: Podcasts in familie