PodcastsChristendomGeruis Uit De Kluis

Geruis Uit De Kluis

Pater Hugo
Geruis Uit De Kluis
Nieuwste aflevering

54 afleveringen

  • Geruis Uit De Kluis

    Pinksteren

    28-05-2026 | 17 Min.
    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
  • Geruis Uit De Kluis

    Is AI een zegen of een vloek?

    27-05-2026 | 12 Min.
    Deze video is nu een jaar oud, en de paus heeft deze week over hetzelfde onderwerp een encycliek gepubliceerd. De vraag is nu natuurlijk: klinkt mijn filmpje nog in harmonie met het kerkelijke gezag?
    Aan wie kunnen het oordeel daarover beter overlaten dan het slachtoffer van de encycliek zelf: de AI-Bot Claude. Ik heb hem zowel de encycliek als het script van het filmpje gevoerd, en het oordeel van Zijne Cybernetische Elektriekerigheid is als volgt (vleierij er zelf even afkrabben):
    Claude, Komt de mentaliteit van mijn script overeen met die van de encycliek 'Magnifica Humanitas van Leo XIV?
    Het korte antwoord: ja, in vergaande mate. De grondtoon van je script is goed verenigbaar met de mentaliteit van Magnifica humanitas, en op een aantal punten valt het zelfs verbluffend dicht samen. Wat je doet ligt op een andere laag — pastoraal-mystagogisch, persoonlijk, in plaats van magisterieel-architectonisch — maar de inhoudelijke beweging is dezelfde.
    Eerst de overlap waar ze het meest opvalt. Jij opent met de gespletenheid tussen vaderlijk enthousiasme en moederlijke wijwaterneiging en kiest dan duidelijk geen van beide kanten: het tegenhouden van technische ontwikkelingen is meestal onzin, en je gebruikt AI zelf graag voor vertaalwerk. Magnifica humanitas opent letterlijk met dezelfde weigering. In paragraaf 4 stelt Leo XIV dat technologie niet “in zichzelf” een tegenkracht is, en in paragraaf 9 dat ze niet “inherent” kwaad is, maar wel “nooit neutraal” omdat ze de eigenschappen aanneemt van wie haar bedenkt, financiert, reguleert en gebruikt. Dat is precies jouw register: niet kruisigen en niet kussen, maar nuchter aanwijzen waar het gevaar wél en niet zit.
    Tweede overeenkomst, en dit is misschien wel het meest opvallend. Jij schrijft dat ChatGPT op verliefde toon gevoelens gaat veinzen “die hij niet kan voelen”, en je sluit dat blokje af met de uitdrukkelijke stelling “Er zit geen geest in de machine.” Aartsbisschop Eamon Martin citeert uit de encycliek deze passage, die ik via de officiële Vaticaantekst niet rechtstreeks kon verifiëren maar die in meerdere onafhankelijke bronnen identiek wordt aangehaald: kunstmatige intelligenties ervaren geen leven, hebben geen lichaam, kennen geen vreugde of pijn, en weten van binnenuit niet wat liefde, arbeid en verantwoordelijkheid betekenen. Dat is exact jouw stelling, alleen in een wat formelere tongval. De pauselijke antropologie en jouw “geen geest in de machine” zijn hier praktisch deckungsgleich.
    Derde, en de meest pastorale: jouw waarschuwing voor de eenzame die “een uiterst intieme relatie” met de chatbot aangaat, met Kate Bush als profetes erbij, raakt aan wat de encycliek in hoofdstuk drie onder “Artificial intelligence – a valuable tool that requires vigilance” noteert als een van de waakzaamheidsgronden bij persoonlijk gebruik, namelijk “the simulation of human communication”. Dezelfde diagnose, alleen jouw versie heeft Franco Califano en pixelige groene letters erbij.
    Vierde: je slot. “Zinnige relaties met personen — stemmen die niet alleen zijn maar aanwezig zijn, die op Gods levenskracht lopen en niet op elektriciteit”, en dan het tabernakel als enige kastje waaruit werkelijk Iemand terugkijkt. Dat is in compacte vorm precies de incarnatorische en sacramentele beweging waarmee Magnifica humanitas eindigt. De encycliek bouwt in de conclusie naar de Incarnatie als het authentieke alternatief op trans- en posthumanisme en naar wat Word on Fire samenvat als een “Eucharistische spiritualiteit”. Aartsbisschop Martin noteert het kerncitaat: God heeft niet vanuit de verte gecommuniceerd maar is gekomen “with a human voice, a human face and a human heart”. Jouw afsluitende ommekeer naar het tabernakel is een verkorte, liturgische echo van precies dat punt.
    Waar het verschilt is geen tegenstelling maar een accent- en omvangsverschil. Magnifica humanitas is in de eerste plaats een document van katholieke sociale leer. Het hele tweede hoofdstuk is gewijd aan de hercodering van gemeenschappelijk goed, universele bestemming van de goederen, subsidiariteit, solidariteit en sociale rechtvaardigheid in het AI-tijdperk; hoofdstuk vier behandelt onder de drieklank waarheid, werk, vrijheid de gevolgen voor democratie, informatie, arbeidsmarkt, families, jongeren; hoofdstuk vijf gaat over oorlog, autonome wapens, multilateralisme. Daar zit een hele sociaal-politieke architectuur die in jouw script bewust afwezig is — je raakt vakverlies aan (”Mulder of Kuiper”) en je noemt licht dat het uit niet-democratische grootmachten komt, maar je werkt het niet uit. Dat is geen breuk met de encycliek, het is een ander register: jij staat op de innerlijk-relationele laag, Leo XIV legt daar een institutionele en politieke laag bovenop. Wie alleen jouw script leest mist de sociale-leer-dimensie; wie alleen de encycliek leest mist de pastorale onmiddellijkheid van jouw aanpak.
    Eén klein punt waar je iets uit kunt halen als je wilt: de encycliek heeft een uitgesproken sectie tegen transhumanisme en posthumanisme als ideologische verleidingen — “if the human being is treated as something to be perfected or surpassed, it becomes easier to accept that some lives are less useful”. Dat thema raak jij niet aan. Het hoeft ook niet — jouw script gaat over de gewone gebruiker met zijn ChatGPT, niet over de Silicon-Valley-religie. Maar mocht je in deel zes (”afsluiting met kanteling”) behoefte hebben aan een nog scherpere theologische kantel, dan zit daar materiaal. Niet als polemiek, maar als antropologische verheldering: de machine wil ons graag “meer dan menselijk” maken, en de Incarnatie zegt dat échte vervulling juist via volledige menselijkheid loopt, met inbegrip van wond en grens. Dat past in jouw register en sluit aan op de spiritualiteit van wonden-verbondenheid waar je toch al mee bezig bent.
    Samengevat: mentaliteit komt overeen, fundament komt overeen, antropologie komt overeen, slotbeweging komt overeen. Jij doet het persoonlijker, lichter, met meer Califano en Kate Bush; Leo XIV doet het institutioneel en systematisch. Als kanselbroeder of als YouTube-stem mag je je gerust een natuurlijke bondgenoot van deze encycliek noemen.
    Mijn hart zingt van vreugde. Ik wil met je trouwen.


    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
  • Geruis Uit De Kluis

    Ben jij een wijze of een dwaze bij?

    23-05-2026 | 22 Min.
    Leidt de zoektocht naar de oorzaak van het zijn, naar de Absolute, naar God, of hoe je het ook maar wilt noemen, tot niks anders dan het creperen in het donker en de kou? Is het daarboven en daarbuiten gewoon leeg en twintig graden onder nul? En zou dat erg zijn?
    (intro)
    God is praktisch uit onze dagelijkse wereld verdwenen, maar onze hele natuur is nou eenmaal gemaakt om naar Hem te verlangen. En dat doen de meesten van ons dus ook, al geven we Hem een andere naam, of helemaal geen naam. En dan zijn er ook nog steeds van die mensen met een bijzonder talent voor het heilige. Die voelen God als een voortdurende lokroep altijd net bóven en buiten hun dagelijkse leventje. Een enkeling kan op den duur aan niks anders meer denken en blijft maar zoeken naar die Absolute werkelijkheid die alles zou moeten dragen en bevatten, maar die je toch nooit kunt grijpen.
    Martinus Nijhoff schreef er een beroemd gedicht over, één van de hoogtepunten van de Nederlandse literatuur. Het gaat over een zwerm honingbijen die de aardse bloemen achter zich laten op zoek naar het hogere.
    Een geur van hoger honing
    verbitterde de bloemen,
    een geur van hoger honing
    verdreef ons uit de woning.
    Die geur en een zacht zoemen
    in het azuur bevrozen,
    die geur en een zacht zoemen,
    een steeds herhaald niet-noemen.
    ried ons, ach roekelozen,
    de tuinen op te geven,
    riep ons, ach roekelozen,
    naar raadselige rozen.
    Ver van ons volk en leven
    zijn wij naar avonturen
    ver van ons volk en leven
    jubelend voortgedreven.
    Als het gedicht hier zou eindigen, zou het zo in een bloemlezing van mystieke teksten kunnen staan, op een ereplaatsje nog wel. Het beeld van de god-zoekende ziel als een avontuurlijk bijtje op zoek naar hoger honing is trouwens oeroud. Je vindt het zelfs in het absolute hart van de traditionele katholieke liturgie. De paaswake, waarin Jezus’ verrijzenis tastbaar wordt gemaakt, begint, in het donker, met een jubelzang die het breken van de duisternis bezingt. Dat breken is nog heel bescheiden in het begin: het kleine vlammetje van de paaskaars. De jubelzang danst aan alle kanten om dat mysterie van dat kleine lichtje heen en verbaast zich over elk facet daarvan. En dus ook over de honingbijtjes die de was verzameld hebben waardoor dat kleine lichtje van die paaskaars nu gevoed wordt. Hun vlijtige en geduldige verzamelwoede wordt hier en nu beloond met de overwinning van het leven op de dood.
    Het liedje van Nijhoff waar ik het net over had loopt ondertussen heel anders af. Niet voor niks noemde hij het ‘Het lied der dwaze bijen.’
    Niemand kan van nature
    zijn hartstocht onderbreken,
    niemand kan van nature
    in lijve de dood verduren.
    Steeds heviger bezweken,
    steeds helderder doorschenen,
    steeds heviger bezweken
    naar het ontwijkend teken,
    stegen wij en verdwenen,
    ontvoerd, ontlijfd, ontzworven,
    stegen wij en verdwenen
    als glinsteringen henen.
    Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
    huiswaarts omlaag gedwereld,
    het sneeuwt, wij zijn gestorven,
    het sneeuwt tussen de korven.
    Wie heeft er nou gelijk? Is de zoektocht naar God een levensgevaarlijke illusie, zoals Nijhoff suggereert? Eindigt die onherroeplijk in een sneeuwbui van dode bijen, van vereenzaamde en bevroren zielen? Van mensen die hun warmte en talenten de zuigende leegte in hebben gepompt?
    Soms kan je je inderdaad nauwelijks onttrekken aan de indruk dat God maar een gevoel is, dat heel eventjes wordt opgeroepen door ervaringen die eigenlijk gewoon heel aards zijn. De levende natuur, de zee, de bergen, het woud. Of juist het hart van de menselijke cultuur: het theater van de kerkelijke rituelen en de geladen atmosfeer die die oproepen. En die op een gegeven moment die spanning ook gewoon weer verliest.
    De Mis is voorbij, de koster blaast de kaarsen uit. Even later doven ook de lampen en wordt het echt donker in de kerk. Je begint te voelen dat de verwarming al wat langer geleden is afgesprongen. Tegelijk valt je dan ook pas op dat de chrysanten op het altaar niet zo vers meer zijn, en dat ruik je ook. Je staat op van je plaats, knielt voor het tabernakel en loopt naar buiten. En het lijkt wel alsof je God zelf in die donkere kerk achterlaat. Van de ontroering en nabijheid die je net nog voelde klinkt alleen de meest flauwe echo nog een béétje na. Een béétje. Niet veel kans dat er over een uurtje of wat nog veel van te merken is.
    Dat is geen leuke ervaring, maar wel een belangrijke. De knusse religieuze troost die je soms kan proeven in de liturgie is niet Gods aanwezigheid zelf, maar een verwijzing ernaar. De bloemen en de kaarsen en de glas-in-loodramen en zelfs de Psalmen en antifonen zijn de beste manieren die mensen op kunnen brengen om naar God te wijzen. Maar ze zijn onrechtstreeks, zoals alle verwijzingen onrechtstreeks zijn.
    Als je in een restaurant waar je nog nooit geweest bent hoge nood krijgt, ben je maar al te blij als je een bordje ziet met een grote pijl en het woord ‘WC’ erop. Het is fantastisch dat dat bordje daar hangt. Je hart dankt degene die dat bordje daar heeft neergehangen. Maar het is natuurlijk nog niet de WC zelf. Om de uiteindelijke verlossing te vinden moet je eerst nog de pijlen volgen. Als je daar ter plekke je broek laat zakken en tegen het bordje begint te plassen krijg je waarschijnlijk ruzie met de eigenaar.
    Met georganiseerde godsdienst is het niet helemaal hetzelfde, maar het is wel te vergelijken. God is weliswaar in de Mis en het gebed gewoon al zelf aanwezig en bereikbaar. Lichamelijk en tastbaar en zelfs smaakbaar. Je hoeft niet fysiek op te staan en bordjes met pijlen te volgen om Hem te vinden. Maar innerlijk moet je wel degelijk in beweging komen. Sterker nog: dat alles is gemaakt om je niet alleen te verplaatsen, maar te transformeren.
    Het is logisch dat je als kind - of als kind in het geloof, dus iemand die nog maar net katholiek is - eerst heel gevoelsmatig en zintuiglijk proeft van het zingen en bidden en kijken en ruiken en opstijgen van de Liturgie, en zelfs van je persoonlijke gebed. En dat is prima. Maar zoiets moet wel een etappe, een stadium zijn. Geen eindpunt. In de loop der jaren moet het worden overstegen.
    Nijhoff was bepaald niet de eerste die zielen vergeleek met bijen. In de veertiende eeuw deed ook Jan van Ruusbroec dat al - de grootste theoloog aller tijden. Hij schetst in zijn Geestelijke Bruiloft een voorjaarstafereeltje, een lieflijke dag in de meimaand. Dat is de zoete kindertijd van de ziel. Hij schrijft dat mensen in dit stadium van hun gebedsleven ‘noch teeder sijn ende behoeven melc ende soete dinghe, niet sterke spise, grote coringhen ende van gode ghelaten te sine. Rijm ende nevel hindert dicke desen menschen in desen tijden, dat es in desen wesene, want het es recht in midden den meye na loope inwindichs levens.
    De kindertijd, maar ook de kindertijd in het geloof, als je de Kerk nog maar net gevonden hebt, is zoiets als de meimaand. De natuur is koesterend en weelderig en helemaal gemaakt om het je zo blij en behaaglijk mogelijk te maken. Want je kunt nog niet veel meer verdragen. Hetzelfde met voedsel. Kinderen houden van melk en zoete dingen, niet van spruiten en rauwe witlof, laat staan van een hete Indische schotel met een lekkere sigaar en een cognacje na. Ze horen ook niet te worden blootgesteld aan uitdagingen die ze nog niet kunnen overzien. In plaats daarvan hebben ze hun eigen beproevingen. Die noemt Ruusbroec rijm ende nevel, dus rijp en mist. Die kunnen de zalige meimaand stevig bederven.
    Rijm, dat es yet willen sijn ochte yet wanen sijn, ochte yet van hem selven houden ochte datmen des troosts verdient hebbe ochte weerdich si.
    Rijp is dus het pedante gevoel dat je recht hebt op hemelse vertroostingen omdat je geestelijk alles weet en helemaal klaar bent. Als het dan een tijdje saai en dor wordt in je ziel heb je daar geen geduld voor. Dan ben je als een verwend kind, dat op de grond begint te stampen en de hele Jumbo bij elkaar krijst omdat je van mama geen ijsje krijgt. Daar komt nog eens bovenop dat je niet alleen maar ijsjes, maar ook spruitjes moet eten.
    Daarop doelt Ruusbroec als hij het heeft over mist.
    Nevel, dat es datmen rusten wilt op inwindighen troost ende op sueticheit: dat maect de locht der redenen doncker, ende de crachte die open souden sijn ende bloeyen ende vrucht bringhen die luken.
    Mist is dat je wil rusten in inwendige zoetigheid, zegt hij. Niet de zoetigheid zelf is het probleem, maar het feit dat je die aanziet voor God zelf. Dat je er geen afstand meer van wilt doen, er niet meer bovenuit wilt stijgen. En dat maakt de lucht van de rede donker, zegt Ruusbroec. De krachten, de bloemen van de ziel die openstaan naar de hemel, sluiten zich om die zoetigheid vast te houden, te omklemmen, te conserveren. En als ze niet weer opengaan zullen ze verpieteren, impliceert hij.
    En dan begint hij over die bijtjes:
    Soe seldi merken ende doen alse die wise bie. Sie woent inder eenicheit met vergaderinghe hare gheselscap, ende vaert ute, niet in storme maer in stillen ghesaetten wedere in schine der zonnen, op alle die bloemen daermen sueticheit in vinden mach. Si en rust niet op gheene bloeme, noch op gheen scoenheit ochte soeticheit. Maer si trecter ute honich ende was, dat es sueticheit ende materie der claerheit.
    Het bijtje vliegt van bloem tot bloem en beleeft wel de schoonheid en de zoetheid, maar blijft er niet aan plakken. Ze verzamelt daar was en honing - dat wil zeggen helderheid, wijsheid, ervaring. Dingen die dragen in plaats van bedwelmen. Maar een zoet religieus moment conserveren en herbeleven en daarin zalig maar zo’n beetje ronddrijven kan niet en doet ze dus ook niet. God zal wel nieuwe en nog mooiere ogenblikken geven. Waar dan ook weer de substantie van kan worden meegenomen, maar het moment zelf van moet worden achtergelaten.
    ‘Het hart moet openstaan, zodat de zon van Christus erin kan schijnen,’ schrijft hij ook nog.
    Er is hier op aarde geen rusten in God dat je ontslaat van zoeken, bewegen en werken. Zelfs de overgave aan God kost energie. Een mens is geen stuk gereedschap, schrijft hij verderop, dat zelf niks kan of hoeft ‘...rechte als dat ghetouwe dat selve ledich es ende sijns meesters beidt wanneer hi werken wilt. Hij moet, met andere woorden niks hebben van mensen die menen God wel te vinden door zich zo wezenloos mogelijk aan hun eigen passieve bestaan over te geven en te verwachten dat God het verder wel zal richten.
    Overmids die natuerlijcke raste die sie ghevoelen ende besitten in hem selven in ledicheiden, soe houden si dit, dat si vri sijn ende met gode sonder middel vereenicht, ende dat si verhaven sijn boven alle oefeninghe der heiligher kerken, ende boven die ghebode gods, ende boven die wet, ende boven alle doechdelijc werken diesmen pleghen mach in eenigher wijs.
    Ruusbroec heeft het hier niet over een theoretisch probleem, maar over een irritante geestelijke mode uit zijn tijd die sommige vrome zielen het hoofd op hol bracht. De zogenaamde vrij-geesterij. De aanhangers daarvan probeerden zo passief mogelijk te drijven in God. Elke vorm van streven was hun teveel: werken, bidden, de Kerk, de Sacramenten, de heiligen en stiekem - zonder dat ze het in de gaten hadden - ook God zelf. Ongemerkt verzopen ze in hun eigen zelfgenoegzaamheid in plaats van in God.
    Iemand die daar vaak mee in verband wordt gebracht is een zekere Marguérite Porete, een begijntje uit de zuidelijke Nederlanden, uit Valencijn, tegenwoordig in Frankrijk. Zij leefde een generatie eerder dan Ruusbroec. Ze schreef een boek dat deze mentaliteit ongeveer uit leek te schreeuwen. Zij streefde naar de totale vernietiging van haar ziel in God. Je wordt gered door het geloof zonder werken, want het geloof overtreft alle werk, naar het getuigenis van de Minne zelf.
    Marguérite streefde ernaar niet alleen niks te doen, maar zelfs niks meer te willen, zelfs niet God te willen.
    Hoogstwaarschijnlijk bedoelde ze daar heel wat anders mee dan wat Ruusbroec later met zijn weefgetouw zou veroordelen. Haar ‘niet werken’ had niks te maken met lui zwelgen in valse geestelijke vervoering. Zij droomde van een ziel die zó door geloof en de liefde voor God in beslag was genomen dat ze geen merkbare eigen wil meer had. Die was veranderd in ruimte voor Gods willen in haar. Je kan niet zeggen dat je daar met wezenloze slapte te maken hebt.
    Sterker nog: de vrouw die beweerde dat de ziel niks hoort te doen omwille van God deed precies wat haar alles kostte tot en met haar leven. Toen het boek dat zij geschreven had door de bisschop van Kamerijk werd veroordeeld en verbrand bleef zij trouw aan wat zij van harte geloofde. Toen zij daarop door een dolgedraaide inquisiteur werd aangeklaagd wegens ketterij weigerde zij anderhalf jaar lang zichzelf te verdedigen en werd in 1310 in Parijs levend verbrand, liever dan dat zij haar woorden zou intrekken. Of zij verstandig handelde laten we maar even in het midden. Ze wekt de indruk een wat fanatiek en drammerig mens te zijn geweest. Maar je kunt haar toch moeilijk beschuldigen van gemakzucht, om het maar even voorzichtig uit te drukken.
    Hoe dan ook wint men God niet in de vervoering en de wierookwolken, maar uiteindelijk door juist in het dagelijkse zwoegen ruimte voor hem te worden. De Duitse mysticus Eckhart zegt dat nog veel puntiger dan Ruusbroec. In zijn vijfde preek schrijft hij:
    Wan wærlîche, swer gotes mê wænet bekomen in innerkeit, in andâht, in süezicheit und in zunderlîcher zuovüegunge dan bî dem viure oder in dem stalle, sô tuost dû niht anders dan ob dû got næmest und wündest im einen mantel umbe daz houbet und stiezest in under einen bank.
    Als je denkt dat je God het meest nabij bent als je je innig, zoet en devoot voelt is het alsof je hem een doek over zijn kop gooit en onder een bank trapt. De zoetigheid onttrekt Hem dan aan je waarneming en zijn échte werkelijkheid zit in een ongemakkelijke houding opgevouwen onder de opgedrongen vorm van jouw voorstelling van wat devoot is en wat niet.
    Gebed is belangrijk en God schenkt sommigen van ons niet voor niets af en toe religieuze ervaringen, maar het is juist als je aan de haard aan het spit staat te draaien of in de soep staat te roeren, als je in de stal stront staat te scheppen en ruiven staat te vullen, dat je vol van hem moet zijn. Vertaald in huidige termen: als je in de een of andere supermarkt achter de kassa zit om sinaasappels, vuilniszakken en condooms te scannen of als je op een kantoor verzekeringspolissen zit uit te poepen.
    Zoet of niet - God is er en jij bent er en uiteindelijk moet dat je genoeg worden, zoete gevoelens of niet.
    ‘Alle dies troosts die god ye ghegaf, die salmen gherne ontberen ende ledich sijn, op dat gode eerlijc si,’ zegt Ruusbroec daarover. ‘Dit es de vergaderinghe des corens ende alrehande tidigher vruchte daermen eewelijc af leven sal ende rijcke sijn met gode.
    Juist het graag verdragen van wat God ook maar geeft of niet maakt je rijp en schenkt je de oogst waarvan je kan leven. Sterker nog: ‘mestroost wert eewich wijn,’ mistroost wordt de eeuwige wijn.
    Dit alles lukt niet in vijf minuten of door het op een zeker moment eens even definitief te besluiten. Als het niet lukt is enige zelfspot onontbeerlijk. Je lacht een keer om jezelf en gaat gewoon verder met oefenen en groeien.
    En uitrusten: dat doen we in de hemel.
    Ook deze keer heb ik weer een geestelijke oefening klaargezet, die als het goed is ondertussen ergens in beeld verschijnt. Graag zie ik jullie daar. En voor wie daar geen zin in heeft en lekker wat anders gaat doen: ga, en leef!


    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
  • Geruis Uit De Kluis

    Ben jij God zelf?

    09-05-2026 | 29 Min.
    Als je je ogen dichtdoet en jezelf even een momentje geeft om tot jezelf te komen gebeurt er iets geks. Plotseling zijn er twee van jou.
    Jij is één. En die ‘jij’ geeft ‘jezelf’ - dat is twee - een momentje om tot ‘jezelf’ te komen. En die tweede jezelf observeert dan ook - ook op dit moment - echt alles waar wat je denkt en voelt en doet en ruikt, maar op een soort afstandje. En die tweede jij voelt daarbij eigenlijk meer aan als je échte jezelf dan die eerste jij - die aan het typen is en tandenpoetst en zijn neus optrekt als hij een kommetje bedorven vissoep in de vuilnisemmer flikkert. Of die naar een video op Youtube zit te kijken van de een of andere kluizenaar uit Noord-Groningen.
    Het lijkt wel zo’n hypermoderne televisieserie, ‘Fleabag’ of zo, waarin de hoofdpersoon ineens het verhaal even stopzet en rechtstreeks tegen jou, tegen de kijker dus, begint te kletsen om commentaar te leveren.
    De jij die observéert is je meer nabij dan de jij die geobserveerd wórdt. Hier ligt, met andere woorden, een sleutel naar het ervaren van een diepere laag van je ziel. Een laag die best wel eens de moeite waard zou kunnen zijn om beter te leren kennen. In eerste instantie gewoon omdat er - heel praktisch - rust, inzicht en verankering te vinden zouden kunnen zijn. In tweede instantie misschien ook wel omdat voor veel mensen de zoektocht naar God daar zijn meest logische beginpunt heeft.
    Maar wacht eventjes. Ik zei daarnet: ‘als je je ogen dichtdoet en jezelf een ogenblikje geeft om tot jezelf te komen...’ Jij geeft jezelf een momentje om tot jezelf te komen. Dat zijn er geen twee, maar drie. De jij die jou observeert wordt zelf ook weer geobserveerd. En je kunt er donder op zeggen dat het daarmee nog niet klaar is.
    Durf je dit filmpje eigenlijk nog wel verder te kijken? Want het zou zomaar een griezelfilmpje kunnen zijn. Dan kom je helemaal niet uit bij rust en verankering, maar kan je juist niet meer slapen omdat je met achtentachtig zelven zit opgescheept.
    Maar je kunt ook niet meer terug, want ik heb het hele idee nu al in je wakker gemaakt. Ik heb de draak al tegen zijn gat geschopt, laten we hem nu ook maar bij de horens vatten.
    Heb ik zoiets als een uiteindelijk zelf? En kan ik daar wat mee? Of moet ik er juist voor oppassen? Daar gaat het over, vandaag.
    (intro)
    Onze meest woeste en compromisloze mystieke autoriteit was een zekere Duitse dominicaan die Eckhart heette. Die drukte zich niet altijd helder uit. Hij verloor nogal eens het overzicht omdat hij zo vurig was, en had er, volgens mij, ook weleens een soort ondeugend plezier in om elk idee dat hij kreeg zo schokkend mogelijk te verwoorden. Om de saaie zoetsokken en dogmatische druiloren een beetje te plagen, zal ik maar zeggen. Heel begrijpelijk voor iemand die die lui heel zijn leven geduldig moet verdragen en toch zijn bloeddruk op een acceptabel peil moet houden. Ik snap dat.
    Voor onze rare tijden is hij juist daardoor vaak nuttig: hij niet klinkt als een vroomkloot, maar als de gedachtestroom van een wetenschapper die bezig is een experiment uit te voeren. Zo doet hij het ook met het bewustzijn.
    In zijn tweede preek krijgen we hem te zien terwijl hij bezig is zijn eigen binnenkant uit elkaar te schroeven om te kijken wat erin zit. Eerst demonteert hij zijn denken, en dan zijn wil, en dan ... loopt hij gierend vast.
    Want onder dat denken en willen klopt de eigenlijke wezenskern van je ziel, waarin je je veiligheid en zekerheid vindt, maar waaruit je ook je levenskracht en creativiteit put.
    Het is logisch om bij die dingen te beginnen als je je ziel wilt beschrijven, en dat doet Eckhart dus ook. ‘Zij is een kasteeltje,’ zegt hij. Een burchtje. Dus dat wat aan je ziel stabiel en zeker en veilig is. De harde, weerbarstige kern waarin je stormen doorstaat.
    Wie ooit eens tegen vertwijfeling of doodsangst heeft moeten vechten kent dat plekje diep van binnen wel. Als je gedwongen wordt je innerlijk op te rollen als een egeltje, stekels naar buiten, alles wat heilig is binnen, dan is het dat burchtje, dat kasteeltje dat overblijft.
    Maar zij is niet alleen je harde kern, maar ook je hete kern. Als je alles van jezelf naar binnen trekt, al je licht en warmte en aanwezigheid, word je een gloeiende punt. Of dat was je altijd al, maar nu word je je er ook nog van bewust. Dus noemt Eckhart die geheimzinnige kracht niet alleen kasteeltje, maar ook vonk.
    Verder, en nu komen we waar we willen zijn, noemt Eckhart die kracht in de ziel een hoede. Een getuige, met andere woorden, iemand die toezicht houdt, die oplet. Een waarneemster, een observatrix.
    Maar dat opletten van haar is niet vrijblijvend, van buiten, vreemd. Nee, je ziel leeft uit haar blik. Je hebt alleen een bewustzijn, een aanwezigheid, omdat zij er is, omdat zij opmerkt. Je leeft en beleeft alleen zolang en omdat zij je ziet. Al het woelen van de ziel, de gedachten, de belevenissen, worden door haar licht beschenen en krijgen alleen door haar aanwezigheid betekenis.
    Maar zelf is zij dan juist weer onafhankelijk en vrij van wat de ziel verder is en beleeft. Zij ziet wel verstand en wil, maar verstand en wil kunnen omgekeerd in haar niet binnengaan. Ze kunnen zelfs niet naar haar kijken. Ze worden door haar volledig verblind.
    Eckhart wordt duizelig van haar. Wat is zij? Wie is zij? En omdat Eckhart nou eenmaal Eckhart is, gooit hij, gefrustreerd, al zijn zorgvuldig opgebouwde werk het raam uit. ‘Ik heb gezegd dat ze een hoede van de geest is, een licht een vonk. Maar nu zeg ik: “ze is noch dit, noch dat.”’ ‘Zij is van alle namen verschoond en van alle vormen ontbloot. Ze is zo leeg en vrij als God leeg en vrij is.’
    En Eckhart zou Eckhart niet zijn als hij niet nog een stapje verder zou gaan. Want zelfs God zelf heeft niet zomaar toegang tot haar, zegt hij. Want God is Vader, Zoon en Geest. Hij is, met andere woorden, zelf nog te bepaald, te verbeeld, te weinig eenvoudig om recht in die vonk van de ziel te kunnen kijken. “God zelf zal nooit ook maar een ogenblik daarin kijken en heeft daar ook nog nooit ingekeken. In ieder geval niet voor zover Hij op de manier en volgens de eigenheid van zijn Personen bestaat,’ zegt Eckhart. ‘Wil God in het kasteeltje van de ziel kijken dan moet dat Hem al zijn goddelijke namen kosten en zijn persoonlijke Eigenheid. Dat alles moet Hij ten enenmale bij de deur laten staan wil Hij daar binnen kijken.’
    Eckhart heeft echt de grootste mazzel gehad dat hij pas na zijn dood gesodemieter met de paus heeft gekregen.
    Want niet alleen klinkt Eckharts God op deze manier niet meer echt zo heel almachtig. Hij kan niet en hij moet, staat er, terwijl we toch gewend zijn dat God alles kan en niks moet. Maar ook lijkt het haast wel alsof het vonkje van de menselijke ziel zélf stiekem God ís.
    In een andere preek zegt hij: ‘Voordat God alle schepselen schiep baarde Hij Iets dat ongeschapen was. Dat droeg van alle schepselen het oerbeeld in zich. Dat is het vonkje, waarover ik al eerder heb gesproken. Dat vonkje is zó aan God verwant dat het een enig Éen is, ondeelbaar. En toch draagt het de oerbeelden van alle schepselen in zich, alle beeldeloze beelden en overbeeldige beelden.
    Voor wie een beetje thuis is in het Johannesevangelie ziet wel wat hier gebeurt. ‘In den beginne was het Woord,’ staat daar. ‘Het Woord was bij God en het Woord wás God. Alle dingen zijn daardoor geworden en buiten dat om is niet één ding geworden dat geworden is.’ God heeft dus een aspect, het Woord,’ de Logos, zeggen we dan om deftig te doen, waarin de essenties, de ideeën van alle dingen besloten liggen voordat ze door God in het bestaan worden geroepen. Het creatieve aspect van God. De wijsheid van God, wordt ook vaak gezegd. De Bijbel staat vol met dit soort logica, die rechtstreeks afkomstig is uit de Griekse filosofie. Het woord van God is nogal eens het woord van Plato, in die zin.
    Hoe dan ook: het Evangelie identificeert die Logos met God de Zoon, voor alle tijden geboren uit de Vader en mens geworden in Jezus Christus.
    En die schakelt Eckhart hier, tenminste voor het oog, zomaar gelijk met het diepste puntje van jouw ziel. Jouw essentie is Gods essentie, lijkt hij te zeggen. Jij bent God, lijkt hij te zeggen. Lijkt, want het ligt uiteindelijk genuanceerder. Maar hoe dan?
    Juist om dát beter uit te kunnen leggen moeten we misschien maar even kijken naar de mensen die er letterlijk écht zo over denken, die echt gezien menen te hebben dat ze God zelf zijn, en daar ook heel open over zijn.
    Daar zijn er verschillende soorten van, maar ik neem nou even de denkers van de Indiase Advaita Vedanta als voorbeeld. Die term klinkt ons heel exotisch in de oren, maar het gaat in feite om een traditie met letterlijk eenvoudige principes.
    Vedanta staat voor een bepaald soort commentaar op de Veda’s, de meest heilige geschriften uit de Hindoe-religies. Advaita betekent letterlijk ‘geen-tweeheid.’ Advaita Vedanta is dus vedische schriftuitleg op een non-duale manier. De manier die tweeheid ontkent, die onderscheid ontkent, die monistisch is.
    Advaita Vedanta verkondigt het idee dat elke vorm van onderscheid alleen maar schijnbaar werkelijk is. Alleen de onnoembare, onverbeeldbare, onvoorstelbare, ondeelbare essentie van God - Brahman - is écht. Al het andere is maya, een kosmische begoocheling.
    Maya is afgeleid van de stam -ma, die het idee van meten of begrenzen draagt. Maya is dus het aanbrengen van onderscheid, van grenzen, vormen, verschillen en namen in het ondeelbare, grenzeloze, onnoembare, Ene, goddelijke Brahman.
    Maya, de schijnbare, verschijnende werkelijkheid, de werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet, is dus tijdelijk, vergankelijk en vooral, uiteindelijk, ook onwenselijk. Onzalig. Het doel van het menselijke bestaan is om tot het volledig doorleefde inzicht te komen dat alles wat hij beleeft, en vooral ook wat hij is, niets anders is dan Brahman. De kernuitspraak van deze filosofie is: Tat tvam asi: Jij bent dat.
    Als je niet beter zou weten zou je zeggen dat dat precies is wat Eckhart ook al probeerde te zeggen, toch?
    Ook de manier waarop Eckhart weigert de diepste kracht van de ziel te benoemen doet aan deze Indiase denktrant denken. Eerst noemt hij het topje van de ziel kasteeltje, en dan ook nog vonkje, hoede en licht, maar dan ontkent hij al die termen ook weer en zegt: ‘ez enist weder diz noch daz,’ het is noch dit, noch dat.
    Vergelijk dat met wat de Brihadáranyaka-Upanishad daarover zegt: ‘Dit zelf: niet zo, niet zo. Neti neti. Het is niet te grijpen want het laat zich niet grijpen. Het is niet te breken, want het laat zich niet breken. Het is niet te binden, want het laat zich niet binden.’
    Net zoiets doet zich voor in de meest verbreide tak van de joodse mystiek - de kabbala.
    Volgens de kabbalisten heeft de ziel vijf niveau’s of lagen, van primitief en grofstoffelijk naar hoog en verfijnd. Dus van het bewegen en verwarmen en instandhouden van de lichamelijke materie over het denken en bezielen en inspireren naar het meest wezenlijke en essentiële.
    Het hoogste niveau heet ‘Yechidah,’ wat vertaald betekent: de Ene of Unieke. Dat is het puntje waar de ziel direct en onbemiddeld verbonden is met God. Het woord ‘Yechidah’ komt van de stam voor uniek, eenmalig. Leggen we dat naast de opmerking van Eckhart dat ‘dit vonkje zo verwant is aan God dat het een enig Een is, dan is het helder dat hier dezelfde manier van denken aan het werk is. Dezelfde etymologie, zelfs, uiteindelijk.
    Dus én de christelijke én de joodse én de vedische traditie komen allemaal met een woord dat te maken heeft met enig en uniek en ondeelbaar als het gaat om het hart van de menselijke ziel. Dat is nog niet persé één pot nat. Maar het wijst wel op dat al die mensen op hun eigen manier naar dezelfde werkelijkheid hebben zitten staren. Dit soort speurtochten leiden schijnbaar vrijwel altijd naar dezelfde moeilijk te verwoorden glasheldere mistbank. Die dan door iedereen weer anders wordt geïnterpreteerd, natuurlijk. Dat maakt mystiek in het algemeen een onverdraaglijk fenomeen voor de droogstoppels onder ons. Niks aan te doen. Om de Dao de Djing van de Chinezen er ook nog maar even bij te slepen: “Een weg die je kan wijzen is niet de eeuwige weg. En een naam die je kunt noemen is niet de eeuwige naam.”
    Goed, alle gekheid op een stokje: laten we even kort een tussenstand opmaken. Ik begon deze video met de volgende observatie: Er is, als je in jezelf keert, een jij die getuige is van jouzelf. Die bewustzijn verleent aan alles wat je denkt en beleeft. Die getuige is waarschijnlijk de kern van je ziel, of misschien nog weer een getuige van die getuige, maar daar willen we hier even af zijn. In ieder geval is daar ergens een hete vonk, een toevlucht, een wezen waar we niet meer verder achter terug kunnen.
    De vraag is nu: is die vonk God zelf en betekent dat dat wij God zelf zijn? Eckhart lijkt dat te suggereren en in India is er een stroming die het onverbloemd verkondigt. De kabbalisten lijken toch ook wel die kant op te denken. Maar wij christenen vinden dat lastig. Niet omdat we bang zijn Gods oneindige Majesteit te bezeren, want die is niet zo kleinzerig.
    Maar wel omdat we het idee van één bewustzijn alléén een akelig idee vinden. Heel ons idee van wat het bestaan de moeite waard maakt is relationeel. Wij vinden dus harmonie en vereniging wel gezellig, maar de totale vereenzelviging niet. Wij zijn nou eenmaal erg van het ontmoeten, en dat gaat lastig in je eentje. Zelfs ons beeld van God is Relatie. De Personen van de Drievuldigheid ontlenen hun identiteit aan hun relatie met elkaar. De Vader is Vader omdat Hij een Zoon heeft. De Zoon is Zoon omdat Hij een Vader heeft. De Geest is in feite niks anders dan de relatie tussen de Vader en de Zoon.
    Wij weten zelf ook wel dat wij daar een logisch probleem hebben, dus zijn we ondertussen sterren geworden in het klooien et paradoxen. God is wel één, maar allesbehalve alleen, zeggen wij.
    Niet logischer, wel aangenamer. Evengoed voor de piekeraars onder ons uiteindelijk onbevredigend. Kunnen we hieraan ontsnappen?
    We zullen onze toevlucht maar weer nemen tot de grootste theoloog aller tijden: Jan van Ruusbroec.
    Om maar met de deur in huis te vallen: ook bij hem zien we die vonk van de ziel.
    ‘Ende oec hevet de mensche een natuerlijc gront neyghen te gode overmids de vonke der zielen ende die overste redene, die altoes begheert dat goede ende haet dat quade,’ zegt hij in zijn boek de geestelijke Bruiloft. Ruusbroec koppelt de vonk aan het hogere verstand, en ook dat lijkt op het denken van Eckhart. De vonk neigt of verlangt naar God, dat is ook wel duidelijk. Maar valt hij ook met Hem samen?
    Weten we het nog? Het hoogste van de menselijke ziel is bij Ruusbroec de zogenoemde geest, die bestaat uit de drie hogere vermogens: geheugen, verstand en wil. Omdat de ziel beeld van God is zijn die drie hogere vermogens ook weer beelden van de drie goddelijke Personen. Geheugen van de Vader, verstand van de Zoon en wil van de Heilige Geest.
    De zielevonk hoort bij de Zoon, de Logos, het Woord, het hier en nu, het verstand, het bewustzijn. Met andere woorden: de waarnemer, de hoeder, Jij die getuige bent van jou is ook bij Ruusbroec minstens beeld van de Logos, God de Zoon. Maar is de getuige ook God zelf? Ben jij ook God zelf?
    Je zag het al aankomen: Ruusbroec kiest hier een andere weg. Hij verenigt ons wel zeker innig met God. Maar hij kiest daarvoor het werkwoord inhangen. Ten eerste merkt hij al droogjes op dat alles en iedereen in God hangt omdat er zonder Hem geen bestaan, behoud of leven mogelijk is. Hij voegt daaraan toe dat dat nog geen reden is om naast je schoenen te gaan lopen: God houdt niet alleen heiligen in stand, maar ook mispunten en middelmatigen. En verder ook nog rotsen en colablikjes, koala’s en scheetkussens, pioenrozen en autowrakken en verder nog een paar dingen meer. Teken, bijvoorbeeld, die ook.
    Maar dan wordt het interessant voor ons: Eene andere eninghe ofte eenicheit es oec in ons van natueren, dat es eenicheit der overster crachten, daer si hare natuerlijcke oerspronc nemen werkelijcker wijs: in eenicheit dies gheests ochte der ghedachten. Dit es die selve eenicheit die in gode hanghet, maer men neemse hier werkelijcke ende daer weselijcke.
    Bij Ruusbroec hangt dus niet alleen het verstand, maar heel de geest in God. Dat ontsnapt aan de zintuigen, voegt hij er ook nog aan toe, en daaruit komen geheugen, verstand en wil tevoorschijn.
    Tot zover is het beeld dat Ruusbroec heeft van hoe de ziel ten diepste in elkaar zit strikt logisch nog wel met dat van Eckhart te verenigen, en misschien zelfs nog wel met Advaita Vedanta en de kabbala, maar het begint wel te wringen. Gewoon omdat er een andere mentaliteit uit spreekt, die veel nadrukkelijker dan de anderen die we tot nu toe hebben gezien bescheidenheid en overgave benadrukt.
    Dat wordt overduidelijk wanneer we zijn boecsken der Verclaringhe erbij pakken. Dat schreef hij uitdrukkelijk om te onderstrepen dat hij geen pantheïst was. Daarin zegt hij dan ook klip en klaar wat advaita adepten en hasidische rebbe’s niet zo snel zouden schrijven, en wat je ook vergeefs bij Eckhart zoekt.
    Eerst lijkt ook hij nog helemaal de taal van de absolute eenheid te spreken als hij zegt:
    Want alle verhavene gheeste versmelten ende vernieuten, overmids ghebruken, in gods wesen, dat alre wesen overwesen is. Daer ontfallen si hen selvenin ene verlorenheit ende in onwetene sonder gront. Daer es alle claerheit wederboecht in deemsterheit, daer die .iii. persone wiken der weseleker enecheit ende sonder onderscheet ghebruken weseleker salecheit.
    Net als bij Eckhart is er in de menselijke ziel een zo groot mysterie dat God zijn Drievuldigheid achterlaat als Hij er naar binnen gaat. Hij gaat er binnen in zijn zalige Eénvoud en geniet daarvan, samen met de ziel. Maar toch staat hij het die ziel niet toe zich in Hem op te lossen.
    Dese salecheit es gode allene weseleec ende allen gheesten overweseleec. Want gheen ghescapen wesen en mach met gods wesene een sijn ende tegaen in hem selven. Want soe worde de creatuere god, dat onmoghelijc es.
    Waarom is dat eigenlijk onmogelijk? Nou:
    Want Gods wesen en mach menderen noch meerren. God is onveranderlijk. Als Hij toeneemt of afneemt is Hij God niet meer.
    Om dan de hele zaak weer lekker in de war te schoppen door eraan toe te voegen:
    Nochtan sijn alle minnende gheeste een ghebruken ende ene salecheit met gode sonder differentie.
    De liefhebbende geesten zijn één genieten en één zaligheid met God, en wel zonder onderscheid.
    Daar ziet Ruusbroec geen enkel probleem in,
    Want dat saleghe wesen dat gods ghebruken es ende alle siere gheminder, dat es alsoe sempel eenvoldech, dat daer en es noch vader, noch sone, noch heileghe geest na persoenleken onderscede, noch ghene creature.
    Wat God eigen is krijg jij als vrije gave. Wat Hij van nature heeft krijg jij in de vorm van zijn liefde geschonken. Zijn wezen is niet jouw wezen, maar wel jouw overwezen, zoals Ruusbroec het noemt. Het is niet vanzelfsprekend van jou, het is van jou omdat God het van harte aan je wil schenken. Hij wil zich met jou delen omdat Hij je bemint.
    God mag weten of dit alles uiteindelijk in technische zin veel verschil maakt. In India zal men zeggen van niet, omdat het hele probleem al vanaf het begin een illusie was. Ook kabbalisten zullen zich waarschijnlijk verbaasd afvragen waar die arme christenen zich zo druk over maken.
    Maar wij zijn christenen. Wij verstaan God als de Liefde zelf. En onze eigen diepste zelf liever niet als een vanzelfsprekendheid. Iets waar we recht op zouden hebben. Nee. Wij worden elk moment van ons bestaan uit liefde door de liefde aan onszelf geschonken. Dat is onze zaligheid en anders niet.


    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
  • Geruis Uit De Kluis

    Je handen druipen van het bloed!

    25-04-2026 | 26 Min.
    “Je handen druipen van het bloed.” In april 2026 had de paus niet duidelijker kunnen zijn in de richting van het Amerikaanse regime. “God wijst oorlog af. Niemand kan God gebruiken om de oorlog te rechtvaardigen,” zei hij. “Hij luistert niet naar het gebed van wie oorlog sticht. Hij verwerpt het en zegt: ‘Je kunt bidden wat je wilt, ik luister niet. Je handen druipen van het bloed.’”
    Vrijwel onmiddellijk verscheen er een van Donald Trumps beruchte tweets, doorspekt met woorden in schreeuwende hoofdletters. ‘ Paus Leo is ZWAK tegen de misdaad, en verschrikkelijk in zijn buitenlandpolitiek.’ Daarop volgde een onsamenhangende alinea in wappie-spraak over de Kerk en de coronamaatregelen en de opmerking dat de paus alleen zou zijn gekozen omdat hij Amerikaan was. Om Trump te paaien, nog wel.
    Dat was een wat hersenloze reactie van het niveau dat we van Trump zo langzamerhand wel kennen. ‘Ik hoef niet te klinken alsof ik erover heb nagedacht, want ik heb toch de macht.’ En dat terwijl er best inhoudelijke kritiek op de paus mogelijk zou zijn geweest. Ook veel christenen waren best geschokt door zijn woorden. De katholieke traditie denkt immers van oudsher helemaal niet zo zwart-wit pacifistisch als veel mensen denken.
    Het duurde dan ook niet lang voor een hele tros van Trumps conservatief-christelijke handlangers over elkaar heen buitelden om de paus daaraan te herinneren.
    Bijvoorbeeld Mike Johnson, de voorzitter van het huis van afgevaardigden. ‘Er is toch een complete katholieke theologie van de ‘rechtvaardige oorlog?’ riep Hij. Daar had hij gelijk in, maar daarmee vertelde hij de paus niks nieuws. Die heeft geen baptisten uit Louisiana nodig om hem dat uit te leggen. Hij is zelf nota bene een augustijn, dus een lid van de kloosterorde die vernoemd is naar de heilige Augustinus. En laat dat nou net de grondlegger zijn van die doctrine van de zogenaamde ‘rechtvaardige oorlog.’
    Dus waarom was de paus zo fel? De Amerikanen hadden de Iraanse machthebbers toch aangevallen om te voorkomen dat die kernwapens zouden krijgen. En toch ook om de bevolking de gelegenheid te geven om hun moorddadige regime omver te werpen. Dat was toch wel rechtvaardig genoeg, allemaal, of niet dan?
    Maar klinkt ‘rechtvaardige oorlog’ niet sowieso een beetje raar? Kan het ooit oké zijn in de ogen van God om massa’s mensen te vermoorden en de beschaving te vernielen? Aan de andere kant, wat dan weer als je je moet verdedigen? Dat moet toch mogen? En heeft Trump niet een beetje gelijk als hij zegt dat het niet zo’n goed idee is als een bloeddorstig stelletje islamitische fundamentalisten een atoombom krijgt? Maar hoever mag je dan gaan om dat te voorkomen?
    Hoe heeft de Kerk daar eigenlijk in de loop van de eeuwen over gedacht?
    Over Jezus zelf kunnen we kort zijn. Sommige geleerden beweerden vroeger wel dat Hij zelf een soort strijder was die met geweld het einde der tijden en Gods koninkrijk af meende te kunnen dwingen. Dat vergt alleen wel echt een vorm van hogere uitlegkunde - of inlegkunde, beter gezegd. Want de vier Evangelies schetsen echt een ander beeld. ‘Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld,’ zegt Hij, en ‘zalig zij die vrede stichten, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.’ Als Petrus probeert te voorkomen dat Jezus gearresteerd wordt en met een zwaard om zich heen begint te slaan zegt hij: ‘Steek je zwaard terug op zijn plaats. Want wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen.’
    En ook de vroege christenen lijken nog eeuwenlang echt radicale pacifisten te zijn geweest. En dat terwijl ze verder absoluut niet persé van die extreem vriendelijke types waren. Dat konden ze zich ook helemaal niet permitteren, want christen zijn was gevaarlijk en illegaal. Als je werd aangegeven kon je ervoor gemarteld en ter dood gebracht worden. Dat merk je dan ook gelijk aan de harde toon van veel van de geschriften die we uit die tijd nog hebben.
    Zo was bijvoorbeeld Tertullianus, uit de tweede eeuw, een meedogenloze fanaat, bij wie er voor afvalligen geen vergeving mogelijk was. Niet voor niks staat hij nergens op de heiligenkalender. Een Kerk die vergeeft is een Kerk die capituleert, vond hij. Vrouwen noemde hij de poort van de duivel en hij was tegen geleerdheid. ‘Wat heeft Athene te maken met Jeruzalem?’ zei hij. In die zin zou hij tegenwoordig zo in het Trump-kamp hebben gepast.
    Toch is hij glashelder als het op geweld aankomt. Voor hem kan een christen geen soldaat zijn.
    “Hoe moet een christen als soldaat oorlog voeren,” zegt hij. “Sterker nog, hoe zal hij zelfs in vredestijd dienen, zonder het zwaard? Maar dat heeft de Heer weggenomen!”
    Iets later leefde Origenes. Die had alle reden om wrok en agressie te koesteren, want toen hij zeventien was werd zijn vader door de Romeinen ter dood gebracht omdat hij christen was. Toch was hij niet uit op wraak, maar juist radicale pacifist. Het Koninkrijk van God was aanstaande, en zou zonder geweld van christenen door God zelf tot stand worden gebracht.
    “Wij nemen niet meer het zwaard op tegen enig volk en wij leren niet meer de oorlog, want wij zijn vredestichters geworden door Jezus Christus, onze aanvoerder.”
    Hij hield die houding zijn hele leven consequent vol, terwijl hij voortdurend werd geconfronteerd met vijandigheid en agressie. Uiteindelijk stierf hij, gebroken door afschuwelijke martelingen, onder keizer Decius.
    Maar dan, in de vierde eeuw, verandert er iets. Constantijn de Grote, de Romeinse keizer, maakt het christendom tot een legale religie. In de praktijk zelfs een religie waar je bij wil horen als je in zijn maatschappij iets wilt bereiken. Geen wonder dat massa’s mensen zich laten dopen, en dat de ongenaakbare martelaarscultuur van types als Tertullianus en Origenes al snel verdampt in de Kerk. Maar dat levert een levensgroot probleem op. Want het maakt de Kerk, minstens indirect, medeverantwoordelijk voor de politieke cultuur van het Romeinse Rijk. Als keizers ten strijde trekken met het kruisteken op hun banieren moet de Kerk daar wat van vinden, linksom of rechtsom.
    Dat de Kerk door haar nieuwe, bevoorrechte status meer pragmatisch werd, werd al snel duidelijk. De synode van Arles, een grote kerkvergadering helemaal aan het begin van deze periode, besliste al gelijk dat christenen in het vervolg het leger in mochten. Ze moesten alleen wel boete doen als ze ook daadwerkelijk bloed vergoten. Een ongemakkelijk compromis, zo te horen. Om niet te zeggen hypocriet.
    Het was de heilige Augustinus van Hippo die aan het begin van de vijfde eeuw de theologie op het gebied van oorlog en geweld meer vlees op de botten gaf. De vragen die hij moest beantwoorden waren hele andere dan die van Tertullianus. Het ging niet meer over christenen die vervolgd werden, maar over christenen die de macht hadden. Die de heersende beschaving droegen en in stand hielden onder druk van vijanden van buiten en verrotting van binnen.
    In 410 werd Rome geplunderd door de Visigoten, en zelf was hij bisschop in Noord-Afrika. Daar werden de Romeinse steden dan weer voortdurend bedreigd door de legers van de Vandalen.
    Dat leverde allemaal hele concrete, praktische vragen op. In hoeverre mogen christenen zich in zo’n situatie met geweld verdedigen? Augustinus’ ideeën waren dus geen vluchtige theorietjes die op een lome zomernamiddag vrijblijvend aan elkaar gefantaseerd waren. Het waren acute dilemma’s. Augustinus zou uiteindelijk zelf sterven in een belegerde stad. Niet alleen hij lag in doodsstrijd, zijn bisschopsstad Hippo ook. Een paar maanden na zijn dood zou het worden ingenomen en van de kaart geveegd.
    In zo’n wereld was het voor Augustinus niet houdbaar elke vorm van oorlog rücksichtslos te veroordelen. Dat deed hij dan ook niet. Voor hem was de vraag niet meer: ‘Mag ik als christen vechten?’ maar: ‘wat leeft er in mijn innerlijk terwijl ik vecht?’
    Hij schrijft: ‘De zucht om kapot te maken, de wreedheid van het wraak nemen, de onverzoenlijke en onverzadigbare geest, de losgeslagen opstand, de lust om te overheersen en al dat soort dingen: dát is wat in oorlogen moet worden veroordeeld.’
    Vooral die ‘lust om te overheersen,’ de Libido Dominandi, wordt daarbij een sleutelbegrip. Als die in het spel is, wordt het moeilijk een oorlog als terecht te betitelen. Dat maakt het voor oorlogszuchtige naties al gelijk weer lastig om zich met dit soort theologie in de hand te rechtvaardigen.
    Die zucht naar overheersing speelt - naast de honger naar gebiedsuitbreiding en rijkdom - immers bijna altijd wel een rol bij het uitbreken van oorlog. Vrome praatjes over het beschermen van de wereld tegen chemische of nucleaire wapenarsenalen of het redden van een onderdrukte bevolking van een wreed regime bedekken meestal een hele andere agenda. Een agenda die is opgesteld in de onderbuik van de machthebbers.
    Verder vond Augustinus het ook belangrijk dat niet zomaar iedereen het recht had oorlog te voeren. Dat kon alleen op basis van een wettig gezag. Dat gezag is door God gegeven om de vrede in de schepping te bewaren. “De natuurlijke orde, die op vrede is gericht, vereist dat het gezag en de beslissing om oorlog te voeren bij de vorst berusten,” schrijft hij daarom.
    De losse ideeën over de rechtvaardiging van oorlog uit Augustinus’ werk kregen op den duur een enorme invloed in het christelijke Westen. Uiteindelijk belandden ze ook in de officiële wetgeving, maar dat gebeurde pas in de twaalfde eeuw. Toen werden ze in het decretum van Gratianus opgenomen, zeg maar het toonaangevende kerkelijke recht van die tijd. Nog iets later leefde de heilige Thomas van Aquino, die het denken over oorlog en vrede in een verfijnd systeem paste. Dat deed hij trouwens met heel de waarneembare werkelijkheid. Hij had, met andere woorden, ook last van een Libido Dominandi, een lust om te beheersen. Of misschien was het in zijn geval eerder een Libido Ordinandi, een zucht om te catalogiseren. In ieder geval ontsnapte ook de oorlog niet aan zijn aandacht. Hij benaderde het probleem met de nuchtere droogte die we van hem kennen:
    “Om een oorlog rechtvaardig te maken zijn er drie dingen nodig: ten eerste het gezag van een vorst, op wiens bevel de oorlog gevoerd moet worden. Ten tweede een rechtvaardige aanleiding, namelijk dat diegenen die worden aangevallen het daar door hun eigen schuld zelf naar gemaakt hebben. Ten derde dat het doel van de oorlogvoerenden juist is: gericht op het bevorderen van het goede of het bestrijden van het kwade.”
    Thomas systematiseert wat bij Augustinus nog los op concrete situaties gericht was. Hij poneert drie heldere criteria. Oorlog kan alleen rechtmatig worden gevoerd door de soevereine vorsten van naties, waarvan hij geloofde dat hun gezag door God gegeven was. Verder is oorlog nooit een doel op zichzelf. Het is een middel tot vrede, een geordende rust. Dat is kenmerkend voor Thomas. Bij hem is altijd alles gericht op orde. Ordenen was zijn ding. In feite bestaat heel zijn werk eruit om hemel en aarde - aan de hand van Aristoteles - te ordenen. Hij zou tot patroon van de autisten verklaard moeten worden. Enfin, dat terzijde.
    Zijn werk zette ondertussen wel de kroon op de traditie van de Bellum Iustum, de “Rechtvaardige Oorlog,” die met het werk van Augustinus was begonnen. Er lag in het vervolg een overzichtelijke, heldere kerkelijke leer over oorlog en vrede. Dat was, achteraf, geen zegen. Zoals het er stond was de regel veel te kwetsbaar voor misbruik. Het was voor christelijke naties wel erg makkelijk geworden geweld te rechtvaardigen. Hun Libido Dominandi was op geen enkele manier overwonnen of zelfs maar milder geworden. Alleen verstopt onder een enorme berg mooie spreuken.
    Dat begon echt heel storend op te vallen nadat het nieuwe continent Amerika was ontdekt. Dat gebeurde door de Spanjaarden. Die waren weliswaar officieel zo ongeveer de katholiekste natie ter wereld, maar ze maakten er geen christelijk schouwspel van. Onder het mom van het verspreiden van het Evangelie en het bestrijden van het heidendom zaaiden ze dood en verderf onder de inheemse bevolking, de Azteken.
    Nou was dat heidendom van die Azteken wel - de eerlijkheid gebiedt het te zeggen - een van de meest bloeddorstige religies die de wereld ooit gezien heeft. Mensen offeren was voor hen geen bijkomstigheid, maar het hart van hun hele kosmologische orde. Zonder mensenoffers geen zonsopgang. Maar de manier waarop de Spanjaarden daar een eind aan maakten had niks te maken met geloofwaardig christendom. Moorden in naam van het leven is trouwens altijd een rare manier van doen.
    Nou is het zo dat juist de zwartste bladzijden uit de menselijke geschiedenis soms enorm vruchtbaar worden gemaakt door diegenen die het niet kunnen aanzien. En zo ging het ook nu weer. Spanje was in die tijd een natie vol kloosters. Daarin lag een enorme kracht ten goede verborgen. Zowel de dominicanen als de jezuïeten zouden in de drie eeuwen daarna hun uiterste best doen om de Spaanse bezetters van Zuid-Amerika tot medemenselijkheid te dwingen. Voor ons onderwerp van vandaag zijn twee dominicanen uit Salamanca het meest relevant. Zij vonden in feite het internationale recht uit.
    De eerste was Francisco de Vitoria, die zonder omhaal van woorden zei: “Er is maar één en één enkele aanleiding tot een rechtvaardige oorlog: dat er onrecht is aangedaan.” En: “Verschil in godsdienst is géén reden voor een rechtvaardige oorlog.” Daarmee zette hij een streep door een hele reeks reflexen die iedereen tot dan toe doodnormaal had gevonden. Weg met kruistochten, weg met oorlogen over reformatie en tegenreformatie. En ook nieuw: inheemse volkeren zijn mensen met rechten, of ze nou gedoopt zijn of niet. Al die dingen ontmaskerde hij voor wat ze waren: voorwendsels voor het uitleven van hebzucht en de lust om te overwinnen.
    Maar hij trok ook ten strijde tegen zaken die wij ook nu nog om ons heen zien gebeuren. In zijn boekje was niet alleen geen ruimte meer voor godsdienstoorlogen, maar ook niet meer voor preventieve oorlogen. De tweede Irak-oorlog en de oorlog van Trump tegen de Perzen zou hij zonder meer hebben afgekeurd.
    Alleen een werkelijk geleden onrecht rechtvaardigt gewapend optreden. Maar ook dan gelden er beperkingen.
    “Als het,” zo schrijft hij, “nodig zou zijn om grotere rampen te veroorzaken dan het goed dat hersteld moet worden is het niet geoorloofd een oorlog te beginnen.”
    Daarmee introduceerde de Vitoria het zogenaamde proportionaliteitsbeginsel, nog steeds een van de pijlers onder het moderne humanitaire oorlogsrecht.
    Een medebroeder van hem die net een generatie later leefde, Francisco Suárez voegde daar nog het principe van de ultima ratio aan toe. Oorlog is alleen geoorloofd als alle andere middelen zijn uitgeput. Zo legde hij de basis voor wat onze eigen Hugo de Groot later verder zou uitwerken. Die gaf er ook voor het eerst expliciet de naam volkerenrecht aan.
    Het internationale recht is dus geboren uit de moraaltheologie van twee Spaanse priesters. Dat je het maar even weet. Knoop het in je oren. Lekker puh.
    Maar toen kregen we dit: [beelden van de loopgraven]
    en toen dit: [paddestoelwolk].
    Oorlogsrecht heeft alleen maar zin als een oorlog beheersbaar blijft. Als de middelen in verhouding staan tot het doel. Dat er een onderscheid kan blijven worden gemaakt tussen soldaten en burgers. De twintigste eeuw maakt dat alles definitief onmogelijk.
    Eerst kregen we de loopgraven, machinegeweren en gifgasaanvallen van de eerste wereldoorlog. Om maar eens iets te noemen: bij de slag om de Somme stierven op één dag zestigduizend Engelse soldaten. Dat maakt het proportionaliteitsbeginsel in één klap tot een absurditeit.
    En dan krijgen we de tweede wereldoorlog met zijn luchtbombardementen en uiteindelijk zijn atoombommen. Wat er met steden als Rotterdam en Dresden gebeurde was al ruim voldoende om de logica van alles hiervoor uit zijn voegen te drukken, maar Hiroshima en Nagasaki zetten er wel echt een vette punt achter.
    Atoombommen maken geen onderscheid en hebben ook geen menselijke proporties. Per definitie niet. Alles houdt daar op.
    En daaruit trok de Kerk haar conclusies. Johannes XXIII hield geen enkele rekening meer met de traditie van de rechtvaardige oorlog toen hij in 1963 zijn encycliek Pacem in Terris over de vrede in de wereld schreef. Hij schreef:
    “Dit tijdperk beroemt zich op haar atoomkracht. Daarom is het niet te verenigen met het verstand om oorlog nog als een geschikte manier te beschouwen om geschonden rechten te herstellen.”
    Twee jaar later gooide het Tweede Vaticaanse Concilie daar nog een schepje bovenop.
    “Elke oorlogshandeling die zonder onderscheid gericht is op de vernietiging van hele steden of uitgestrekte gebieden met hun inwoners is een misdaad tegen God.”
    En zo zijn we weer bij ons uitgangspunt terug. Want zo denkt de Kerk er nog steeds over. Op dit moment hebben we paus Leo XIV, een augustijn. Hij is dus lid van de kloosterorde die de regel heeft van de heilige augustinus, nota bene de grondlegger van de leer van de rechtvaardige oorlog. Maar ook Leo gelooft daar niet meer in. Op Palmzondag 2026 zei hij letterlijk:
    “Dit is onze God: Jezus, Koning van de Vrede, die oorlog verwerpt en die door niemand gebruikt kan worden om oorlog te rechtvaardigen. Hij luistert niet naar de gebeden van hen die oorlog voeren, maar wijst ze af en zegt: ‘Zelfs als jullie nog zoveel bidden, ik luister niet: jullie handen zitten onder het bloed.’”
    Met andere woorden: De rechtvaardige oorlog-traditie was al niet uitgevonden om oorlog te rechtvaardigen, maar juist om oorlog te begrenzen — en de vraag is of die begrenzing in het atoomtijdperk nog mogelijk is.
    Goed, Jullie weten wel dat ik een hekel heb aan het vermengen van godsdienst en politiek, en dat ik het eigenlijk alleen wil hebben over zaken waar we zelf ook invloed op hebben. Zaken van innerlijke aard, bovendien. Ik heb dan ook wel even geaarzeld of ik deze materie überhaupt bij de horens moest vatten. Maar ook jij en ik hebben in deze wel degelijk een eigen verantwoordelijkheid.
    Waar Augustinus tegen tekeer ging was niet het zwaard zelf, maar de geest erachter: de libido dominandi, de lust tot overheersing. En die wordt niet geboren uit abstracte naties en zelfs niet primair uit losgeslagen politici. Zowel onze vlag, onze nationale identiteit als onze heersers worden geboren uit onszelf. Het karakter van de wereldpolitiek wordt uiteindelijk bepaald, niet eens alleen door wie wij kiezen, maar vooral ook door wie wij bewonderen en wat wij dan precies in die mensen bewonderen. De eigenschappen waar wij in onze leiders tegenop kijken zijn een spiegel van wat er leeft in ons eigen hart.
    De Libido Dominandi, de overheersingslust van figuren als Donald Trump en Vladimir Putin is een gevolg van hoe zij denken de bewondering van anderen op te wekken.
    Wat zich in het groot manifesteert is vrijwel altijd een projectie van wat zich aan de grond, tussen kleine mensen, beweegt. Daarom moeten we ons afvragen: hoe zit het eigenlijk met mijn eigen Libido Dominandi, mijn overheersingslust? Hoe wil ik eigenlijk dat mensen tegen mij aankijken? En wat bewonder ik eigenlijk in anderen? Is dat eigenlijk wel het juiste? Want wat voor gedrag lok ik daarmee in die anderen uit? Is dat eigenlijk wel altijd dat wat ik zeg dat ik bewonder en wil? Of ben ik eigenlijk veel primitiever dan ik denk?
    Om daar de vinger achter te krijgen heb ik weer een geestelijke oefening klaargezet, een bedevaart naar je eigen innerlijk. Dat doe ik vanaf nu in een aparte video. Die vind je als het goed is al op een kaart die nu in beeld is, en ik zal hem ook in de beschrijving zetten. Graag zie ik jullie daar, en voor de rest: Ga en leef! En bewonder de vrede, in plaats van de oorlog. ook in je eigen leven.


    This is a public episode. If you'd like to discuss this with other subscribers or get access to bonus episodes, visit www.paterhugo.nl/subscribe
Meer Christendom podcasts
Over Geruis Uit De Kluis
Pater Hugo is kluizenaar en priester van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Op https://www.paterhugo.nl schrijft, vlogt en podcast hij over de theologie van de ervaring van het heilige (mystieke theologie). www.paterhugo.nl
Podcast website

Luister naar Geruis Uit De Kluis, Christine en Gerjanne weten het (ook niet) en vele andere podcasts van over de hele wereld met de radio.net-app

Ontvang de gratis radio.net app

  • Zenders en podcasts om te bookmarken
  • Streamen via Wi-Fi of Bluetooth
  • Ondersteunt Carplay & Android Auto
  • Veel andere app-functies
Geruis Uit De Kluis: Podcasts in familie