Ds. W.L. Tukker: Genade en vrede
Dat is dan dus het bekende woord, waarmee de gemeente gegroet en gezegend wordt aan het begin en aan het eind van de diensten. Het is meer dan een wens. Het is een ambtelijk toespreken en een mededelen van wat de zegengroet bevat. Daarom is het ook onder ons de gewoonte, dat alleen een geordend predikant of hij, die eens als predikant geordend werd, een hoogleraar, die eerst predikant was, of een emerituspredikant, de zegen mag uitspreken over de gemeente. Een nog niet geordend predikant of een catecheet mag dit, naar de regel, niet. Meer dan een gewoonte is dit natuurlijk niet, want in onze tekst geeft Paulus als apostel de zegen, waarom deze zegening de apostolische zegen genoemd wordt. Intussen geeft de evangelist Timotheüs in de brief de zegen mee. Dat men het geven van de zegen wil voorbehouden aan geordende predikers, komt waarschijnlijk hierdoor, dat de hogepriesterlijke zegen uit Numeri 6: 23—26 alleen aan de hogepriester te geven geboden was. Daar was die dus aan de hogepriesterlijke bediening gebonden, al was het zegenen op zichzelf in het gewone groeten van iedereen opgenomen. Het is dus een goede gewoonte van de apostelen om in elke brief de gemeente te groeten aan het begin en aan het eind, en dat wel met een „christelijke" groet. Deze groet was eigenlijk een korte samenvatting van heel de prediking van het heil. Dat is wat de kerk te bieden heeft, iets anders heeft zij niet, kan zij niet bieden, wil zij niet bieden. Maar dit kan zij bieden en wil zij bieden! Niet dat de kerk, niet dat haar ambtsdragers deze genade en vrede hebben uitgedacht, niet dat zij die hebben gemaakt, nee, de genade en de vrede komen van de Vader en zij zijn er door de Zoon. De Vader is er de Schenker van en de Zoon is er de Verwerver van. De genade en de vrede hebben bloed gekost, zij zijn afgebeden, afgeworsteld door de Zoon. En de Vader, van Wie alle goede gaven en alle volmaakte giften afdalen, geeft ze. De Vader geeft ze, in de gemeente over al die geheiligden, die reeds genade en vrede bezitten, opdat hun de genade en de vrede vermenigvuldigd worden en Hij geeft ze over die geroepen heiligen naar Zijn eeuwig voornemen, naar Zijn verkiezing, opdat uit hen diegenen zouden worden toegevoegd, die ook werkelijk zalig worden. Deze zegenwens, deze zegenbede wordt in het begin op de gemeente gelegd, opdat in de gemeente direct het verlangen naar dit heil wordt gewekt. De hele inhoud van de brief, de hele prediking moet gaan werken, om dit verlangen naar genade en vrede in de harten te werken op allerlei manieren. Die genade zij met u, over u, in u. Wordt de zegen uitgesproken en is daar een zoon van genade en van vrede, de genade en de vrede zal op hem komen. Is daar iemand, die geen zoon van de genade en van de vrede is, uw genade en vrede zal tot u wederkeren. Nu zal er geen genade en vrede zijn van God onze Vader, dan door de Heere Jezus Christus. Hoeveel keer is dit woord reeds over uw hoofd gesproken! Werd uw genade en uw vrede vermeerderd door het Evangelie, hetzij gelezen of gepreekt? Hoeveel geestelijke rente leverde al deze arbeid aan u besteed, reeds op? Of heeft zelfs de voorstelling van dit hoge goed, genade en vrede, nog niet het minste verlangen bij u gewerkt om dit te bezitten? Hoort dan de woorden van God door de mond van Zijn knechten, Paulus en Timotheüs, aan de Filippenzen en u, u persoonlijk, zij daarbij genade en vrede geschonken. Genade bij God. Vrede in het gemoed.