Grote woorden
‘Dat heeft ook Petrus gedaan. Hij heeft gezegd toen de Heere Jezus sprak over de moeilijke weg achter Hem aan: „Heere, waarom kan ik U nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor U zetten." Natuurlijk spreekt daar liefde uit voor de Heiland, hartelijke liefde zelfs. En in het antwoord richt de Heere Jezus zich tot al Zijn discipelen: „Gij zult allen" — niet alleen de zwakkere broeders, maar allen met inbegrip van Simon Petrus — „gij zult allen aan Mij geërgerd worden in deze nacht." De discipelen menen dat er slechts liefde, aanhankelijkheid en standvastige trouw in hun hart gevonden wordt, maar de Heere kent hun wankelmoedigheid en hun klein geloof.
En Hij ziet nu de profetie in vervulling gaan van Zacharia: „Ik zal de Herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden." Petrus spreekt dan zijn overmoedige woord: „Al werden ze ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden." Petrus weet nog niet dat de duivel rondgaat als een briesende leeuw om ons te verslinden. Hij weet nog niet van de kracht van die boze machten die van alle kanten op ons aanvallen, opdat we in ons geloof zouden bezwijken. Daarom zegt de Heiland ook: „Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude..." Want we hebben de strijd niet alleen tegen vlees en bloed, maar tegen alle geestelijke machten uit het rijk der duisternis. En de duivel begeert ons in zijn macht te krijgen. Daarom zal hij ons in zijn zeef schudden en schokken, hij zal ons aanvechten en verzoeken, om maar aan te tonen dat we geen tarwe maar waardeloos kaf zijn. Maar tegenover dat begeren van satan staat het roerend bidden van Christus: „Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude."
Zelfingenomenheid
Alle waarschuwingen stuiten echter af op de zelfingenomenheid van de apostel. Hij is immers bereid met de Heere Jezus de gevangenis in te gaan, ja zelfs de dood in te gaan. De Heiland zegt echter: „Voorwaar Ik zeg u, dat gij in deze nacht eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen." Maar ook dit woord raakt Petrus niet in zijn hart. Hij roept uit — en de andere discipelen stemmen er mee in: „Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen." Wat moeten we op de leerschool van God nog veel afleren. Niet alleen Petrus, maar ook wij. Wat moeten we toch op het Woord van God letten, dat ons zo waarschuwt dat we toch niet hooggevoelende zullen zijn, maar zullen vrezen en in kleinheid en ootmoed onze weg zullen gaan met de Heere. En wat een wonder is het dat we een biddende Hogepriester hebben, Die voor ons bidt bij de Vader, dat ons geloof niet zal ophouden. Niet aan eigen trouw en liefde zullen we onze zaligheid te danken hebben, maar aan 's Heeren trouw en ontferming.’