1.Gelegd zijn in de armen van een Vader, Die belooft, dat Hij met ons een eeuwig verbond van de genade opricht, ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt en daarom van alle goed ons verzorgen en alle kwaad van ons weren of ten onzen beste keren wil. Dat is een belofte om van te duizelen.
2.Uw kind is gelegd in de armen van een belovende Zoon, Die betuigd en verzegelt, dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden, ons in de gemeenschap van Zijn dood en van Zijn wederopstanding inlijft, zodat wij van al onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden.
3.Uw kind is gelegd in de armen van de Heilige Geest, Die verzekert, dat Hij in ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil. Hij verzekert, dat Hij ons wil toe-eigenen, hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassing van onze zonden en de dagelijkse vernieuwing van ons leven, totdat wij eindelijk onder de gemeente van de uitverkorenen onbevlekt in het eeuwige leven zullen gesteld worden. Deze belofte van de drieënige God komt naar het woord van Petrus ons en onze kinderen toe (Hand. 2).
Daarom zijn wij in Christus geheiligd en tot genade aangenomen. Dat betekent dus, dat wij niet gelegd zijn buiten de grenzen van het verbond van de genade, maar dat wij vanaf onze geboorte zijn afgezonderd en tot een eigendom van de Heere zijn verklaard.
De Heere legt daarmee Zijn hand op ons en betuigt daarin, dat wij Hem toebehoren en kinderen van het Verbond zijn. Dit betekent niet, dat wij geëigend zijn tot de zaligheid, zodat deze ons niet meer ontgaan kan. Maar wel, dat wij afgezonderd zijn van de wereld en onder de bijzondere belofte en aanbieding van het heil zijn gekomen. Dat zijn de schatten van het verbond, waarvan Psalm 25 zingt.
Deze schatten gaan juist ten volle glanzen, wanneer alle aardse schatten verbleken. Wij kunnen ze ook vergelijken met een testament, waarin ze alle met naam en toenaam beschreven zijn. De erflater – de Heere Jezus – is gestorven en heeft het testament vast gemaakt in Zijn dood. En nu laat de Heere ons en onze kinderen met dit testament achter; met deze wissels, die alleen aan de bank van vrije genade kunnen worden ingewisseld. Dat testament ligt van Gods kant vast. Dat is niet Zijn eeuwige verkiezing, maar de voorstelling, de aanbieding, de verzegeling en de betekenis van de belofte Gods, ja de schenking daarvan, die een roeping en een uitnodiging inhoudt. Dat is van Gods zijde welgemeend.’