Gezalfde Heer’ en Koning,
Die bij de Vader leeft
En uit Uw hemelwoning
Des hemels schatten geeft!
O zend ons Uwen Geest;
Doe ons de zegen vinden,
Die neêrdaald’ op Uw vrinden,
Op ’t heerlijkst Pinksterfeest!
De Geest, die Gij doet dalen,
Brengt hier getuigenis
Aan kind’ren, die verdwalen,
Dat God hun Vader is.
Hij schenkt ons ’t kinderlot;
Hij, die ’t geloof verzegelt,
Der zwakken schreden regelt,
Breng ons op ’t pad tot God.
Wat is de Geest des Heeren?
De liefde — liefd’ alleen;
Mocht Hij tot ons zich keren
En maken allen één!
Welzalig wie gelooft;
Hij heiligt de gemoed’ren
En maakt ons allen broed’ren,
Verenigd met ons Hoofd.
Moog ons die Geest doordringen!
Dan wordt het ons gewis,
Dat met zijn zegeningen
De Christus in ons is.
Blijft in ons allen, Heer!
Laat zó Uw Geest ons sterken,
Dat wij het goede werken,
Als Gij, tot ’s Vaders eer.
Hervormde bundel 1938