Belijdenis doen
‘Tegen het doen vanbelijdenisworden vandaag nogal wat argumenten aangevoerd. Sommigen verklaren het niet te kunnen doen omdat je dan „zoveel op je neemt". Blijkbaar zijn ze van mening dat ze zich als doopleden meer kunnen veroorloven dan wanneer ze belijdende lidmaten zijn. Anderen zeggen dat die plechtigheid voor hen „niet hoeft". Die éne keer voorin de kerk staan, terwijl aller oog op je gericht is, dat zou voor de Heere toch geen waarde hebben. Het komt er maar op aan dat je ook op maandag en dinsdag, in het leven van alledag, je als christen gedraagt…
Het eindpunt?
Dat er zo gedacht en gesproken wordt, is op zichzelf niet vreemd. De kerkelijke praktijk heeft dat niet weinig in de hand gewerkt. In de tijd van de dode orthodoxie is debelijdenisvan het geloof gedegradeerd tot een instemmen met de ware leer. In de tijd van de Verlichting werd debelijdenisnog verder uitgehold, zodat men haar ging zien als een verklaring van kerkelijke mondigheid en als een soort gelofte tot een deugdzaam leven. Dat hield in dat men als lidmaat werd „bevestigd" en daarna voor het eerst, en tegelijk voor het laatst, deelnam aan het Heilig Avondmaal. Ook in gemeenten waar thans het aantal Avondmaalgangers minimaal is, kwam dat rond de eeuwwisseling nog voor... Er is weleens gezegd - en niet ten onrechte, datbelijdenisdoen in de vorige eeuw de eerste stap was op de weg naar volledige onkerkelijkheid...
Er zal nu wel nergens meer op deze manierbelijdenisworden gedaan, maar het is toch niet bij benadering te zeggen hoe diep de visie wortel heeft geschoten dat men door het doen vanbelijdenistoch min of meer de eindstreep heeft behaald. Veelal leeft toch nog de gedachte datbelijdenisdoen een soort afronding of afsluiting is van de catechisatie-periode. Zoals leerlingen op een middelbare school gedurende het laatste jaar moeten blokken omdat zij in de examenklas zitten, zo vergaderen ook debelijdenis-catechisanten in die wintermaanden een vracht kennis. En de aannemingsavond is een soort examen waarbij ze deze kennis kunnen spuien. Om dan de vergelijking maar helemaal door te trekken, de belijdenisplaat die de kerkeraad uitreikt als herinnering, is het getuigschrift dat ze voor het examen zijn geslaagd.
Het startpunt
Belijdenis doen van het geloof kan nooit een eindpunt zijn, maar is — als het goed is — een startpunt. Niet in die zin dat er niets aan voorafgaat. Integendeel, in de meeste gevallen was daar het geboren worden en het opgroeien in een christelijk gezin, een van huis uit vertrouwd zijn met het Woord. Was daar ook het onderwijs op de zondagsschool, op de christelijke school, op de catechisatie. Op al deze manieren werden jongeren geleid en gevormd opdat ze straks de persoonlijke keuze zouden doen, de persoonlijke beslissing zouden nemen om in het openbaar de Naam van de Drieënige God te belijden.’